Alleen de nare sfeer beklijft

Van de personages in de verhalen van Hermine Landvreugd (1967) gedragen de vrouwen zich het raadselachtigst. In haar onlangs verschenen bundel Kont achteruit, hoerig, treden zij op als vertelsters die in de ik-vorm realistisch verslag doen van hun inhoudsloze rotbestaan. Behalve wat trainen in de sportschool, rondsjouwen met hun in merkkleding gehulde kind, geld verdienen met schoonmaken en zo nodig een beetje hoereren, doen ze niet veel. Allemaal hebben ze een zwak voor of zijn ze afhankelijk van primitieve mannen. Op het pathologische af agressief zijn deze minnaars, zowel verbaal als fysiek, terwijl hun vreugdeloze seksleven slechts gericht is op machtsvertoon.

Landvreugd is – zoals ze eerder bewees in haar debuut Het zilveren theeëi (1993) – zeer bedreven in het ten voeten uit schilderen van dergelijke figuren. Hun contouren zijn bekend uit reportages over zinloos geweld of voetbalvandalisme, maar wie hen in levende lijve tegenkomt, schrikt zich rot en loopt liever een straatje om. Landvreugd niet, zij zoekt de engerds juist op, althans haar vrouwelijke personages doen dat. Die laten zich enthousiast door allerlei botteriken op sleeptouw nemen en onderwerpen zich willoos aan hun seksuele eisen, zonder duidelijk te maken waarom ze dat doen. Zeker, ze hebben een onmiskenbare, vanuit hun achtergrond soms begrijpelijke, hang naar de zelfkant, maar als uit hun reacties op de omgeving waarin ze verkeren iets blijkt, dan is het wel dat er aan de rand van de samenleving bitter weinig te beleven valt, behalve grenzeloze verveling.

Misschien willen ze ook helemaal niets beleven; beschikken ze niet eens over de verstandelijke vermogens die daarvoor nodig zijn. Behalve geld om te kunnen pronken met peperdure kleren en om hun verslavingen te voeden, begeren ze weinig.

Uit Het zilveren theeëi sprak nog een (nooit bevredigde) behoefte aan kicks, blijkens het aan Raymond Carvers Drinking While Driving ontleende motto `Any minute now, something will happen'. En in Margaretha bleef het langst liggen, Landvreugds tweede bundel, treedt een studente op die haar referentiekader probeert te verbreden door gedachten te wijden aan Rousseau en Van Deyssel, zonder dat dit overigens ergens toe leidt. Kont achteruit, hoerig heeft ook een motto meegekregen, ditmaal ontleend aan G. Büchners Woyzeck, waarin staat dat ieder ordelijk mens zijn leven liefheeft en dat iedereen die zijn leven liefheeft niet over moed beschikt. Sterker: wie moedig is is een hondsvot.

Ik moet zeggen: dit motto verheldert veel. In het laatste en verreweg sterkste verhaal van Kont achteruit, hoerig woont de vertelster samen met Camiel, de vader van haar kind. De man heeft vastgezeten wegens geweldpleging en gaat er prat op dat hij ooit iemand met een schroevendraaier zijn ogen heeft uitgedraaid. `Ik wou hem eerst zijn ogen nog laten opvreten. De kankerlijer', vertelt hij zijn vriendin, die daarna geen trek meer heeft in haar boterham. Vervolgens zegt hij dat het niet waar is, dat hij het verhaal verzonnen heeft, waarop zij gerustgesteld denkt dat ze altijd bij hem wil blijven. `Niemand zal me ooit kwaad doen met Camiel in de buurt', weet ze heel zeker. Met trots denkt ze eraan terug hoe hij haar ooit een bloedneus heeft geslagen omdat er een buurjongen bij haar op bezoek was geweest. Zo'n vrouw is zij, dromend van een burgerleventje in een rijtjeshuis op een dorp, bang voor de grote stad en daarom protectie zoekend bij een domme kracht die zich vroeg of laat tegen haar zal richten.

Raadselachtig aan Landvreugds vrouwen is vooral dat ze in ruil voor die vermeende veiligheid alles met zich laten doen, terwijl ze tegelijkertijd in hun taalgebruik en hun vermogen tot abstraheren een intelligentie verraden die daarmee niet valt te rijmen. In het verhaal over Camiel krijgt de vertelster van hem het bevel een hond te pijpen, waar ze zonder protest gehoor aan geeft. `Ik schoof het roze geslacht uit de bruinbehaarde schacht en nam het in mijn mond. (...) Geil werd ik er niet van maar ik wilde iets voor hem doen. Ik wilde zoveel voor hem doen dat ik niet meer bestond.'

De wens om dood te zijn, op te lossen in het niets, speelt vaker een rol in Landvreugds verhalen. Ze worden bevolkt door desperado's die nauwelijks in staat zijn iets te voelen en wier zelfdestructie derhalve geen grenzen kent. Prettig om te lezen zijn deze rauw-realistische uit het moderne stadsleven gegrepen schetsen niet. Veel meer dan wat rake typeringen, akelige scènes, knap opgeroepen sfeer en vakkundig (want schrijven kan ze) weergegeven inhoudsloze dialogen heeft Landvreugd niet te bieden. De lege karakters en oninteressante wederwaardigheden van haar zielige figuren beklijven niet. Na een uur ben je ze vergeten, alleen die nare sfeer blijft hangen. Vandaar misschien dat het titelverhaal over een serveerster die, een uur nadat ze een abortus heeft ondergaan, haar baas moet pijpen me vagelijk bekend voorkwam. Het blijkt drie jaar geleden in de Volkskrant te hebben gestaan. Mijn indruk is dat er meer verhalen in deze bundel `oud' zijn, in elk geval meer van hetzelfde. Ze onderscheiden zich althans nauwelijks van de zinledige treurnis die in haar eerste bundel nog nieuw en origineel was, maar die nu niet meer verrast en zelfs veel weg heeft van een kunstje.

Hermine Landvreugd: Kont achteruit, hoerig. De Bezige Bij, 138 blz. ƒ34,50