Zuivel en textiel voor graan en teer

De `moedernegocie' oftewel `moeder aller handel' noemde Johan de Witt de handel op de Oostzee in 1671. Hoewel deze handel met Zweden, Noorwegen, Rusland, Polen en de Baltische staten minder tot de verbeelding spreekt dan de exotische zeereisen van de Oostindiëvaarders, kan de Oostzeevaart zonder overdrijving de economische motor achter de Gouden Eeuw genoemd worden. Tussen het einde van de zestiende eeuw en de late achttiende eeuw passeerden jaarlijks honderden Hollandse fluiten, galjoenen, katschepen en schoeners de Deense Sont om haring, zuivel en textiel af te zetten in Riga, Gdansk en Sint Petersburg en hun ruimen te vullen met graan, hout en teer. Op de tentoonstelling Rijke lading, Hollands welvaren in het Scheepvaartmuseum Amsterdam wordt aan de hand van scheepskaarten, modellen van schepen, schilderijen, historische objecten en audio-visuele presentaties de geschiedenis van drie eeuwen succesrijk handel drijven vertelt.

Aan het eind van de zestiende eeuw gold de Oostzee als een perifeer gebied in Europa. Pas toen de Duitse Hanzesteden hun greep op de handel verloren en vervangen werden door Hollandse kooplieden nam het belang van het gebied in het Europese handelsverkeer toe. De belangrijkste reden voor de exploratiedrift van de Hollanders lag in de groeiende bevolkingsdruk in de jonge Republiek der Zeven Provinciën. De graanproducerende gebieden van Oost-Pruisen, Polen en Lijfland (nu het zuiden van Estland en noorden van Letland) voorzagen in goedkoop en voldoende voedsel. Daarnaast kon het geïmporteerde graan in Amsterdam weer met winst worden doorverkocht aan Zuid-Europese landen.

Een belangrijk deel van de informatie die nu bekend is over de Oostzeehandel is afkomstig uit de administraties van handelshuizen, belastingaanslagen en tolregisters, die dan ook ruim vertegenwoordigd zijn op de tentoonstelling.

De zeventiende-eeuwse Zweeds-Deense rivaliteit, compleet met invasies en uitgebreide zeeslagen, deed de Hollandse commerciële belangen geen goed. De Staten-Generaal zetten dan ook niet vaak de nationale vloot in te zetten om het politieke en militaire evenwicht in de regio te bewaren. Op gravures van oorlogstaferelen zijn Hollandse schepen afwisselend afgebeeld aan Zweedse of Deense zijde. Ondertussen onderhielden individuele handelslieden intieme contacten met de hoven van beide landen. Een olieverfschilderij toont admiraal Cornelis Tromp omhangen met de versierselen van de Deense ridderorde van de Witte Olifant, terwijl de op gravure weergegeven Amsterdamse wapenhandelaar Louis de Geer in 1641 in de Zweedse adelstand werd verheven.

Ook in cultureel opzicht drukten de Hollanders hun stempel op het Oostzeegebied. Nederlands was de voertaal op zeevaartscholen en veel schepen, zoals geïllustreerd wordt door Nederlandstalige instructieboeken over scheepsbouw. De stadsgezichten van Gdansk tonen een opvallende gelijkenis met die van Amsterdam. Friese wandtegels en Hollandse dakpannen, op de heenreis meegenomen als balast, verleenden Baltische woningen een Hollands karakter. De culturele beïnvloeding in omgekeerde richting bleef beperkt tot de import van souvenirs, zoals de tentoongestelde zilveren cargadoorslepels, een zeventiende eeuws beeldje van een hennepsoorteerder en een fraai gedecoreerd tafeltje van Rigahout.

Terwijl de tentoonstelling Rijke lading, Hollands welvaren de bezoeker nogal veel tekst voorhoudt en de uitgestalde objecten slechts een illustratieve functie vervullen, ligt de verhouding in de zustertentoonstelling Het mysterie van een Oostzeevaarder in het Drents Museum andersom. Aan de hand van de overblijfselen van het in 1984 in de Waddenzee gevonden scheepswrak Scheurrak SO1 wordt de tijd van de Oostzeevaarders weer tot leven gewekt. Een grote collectie katrollen, een 400 jaar oud stuk zeildoek, half vergane matrassen en heidebezempjes, zestiende-eeuwse schipperskleding en een Italiaanse seintrompet behoren tot de geborgen inventaris van het schip. Aan de hand van onder andere oude scheepsregisters en een in hout gesneden tekst op een mesheftje heeft het Nederlands Instituut voor Scheeps- en onderwaterArcheologie kunnen bepalen dat het fluit-achtige schip omstreeks 1590 op terugreis uit Polen zonk voor de kust van Texel.

Tentoonstellingen: Rijke lading, Hollands welvaren. T/m 9/5 in het Nederlands Scheepvaartmuseum, Kattenburgerplein 1, Amsterdam. Geopend: di-zo 10-17 u.

Het mysterie van een Oostzeevaarder. T/m 9/5 in Drents Museum, Brink 1, Assen. Geopend: di-zo 11-17 u. Inl: (020) 523 22 22 en (0592) 31 27 41. Cat.: ƒ45,00.