Tussen kippenvel en tranen

Soms blaast de wind de bril van zijn neus. Soms loopt hij als vanzelf. Cabaretier en marathonloper Dolf Jansen over pijn en genot van het lopen.

HET IS HALF MAART, en half vijf. Amsterdam, donderdagmiddag. Buiten is het nat, koud, winderig, en het begint donker te worden. De zomertijd heerst nog niet, laat staan de zomer.

Ik vertrek uit mijn sfeervolle woning, hoofdschuddend nagestaard door vriendin Margriet en zoon Cian (resp. 34 jaar en 3 maanden). In de zeventig volgende minuten loop ik in oplopend tempo langs Abcoude, het Gein, Driemond en de Gaasperplas. Ik begin rustig (15 km per uur) en loop later zo'n 17 per uur. Ruim. Ik word doornat, de wind blaast m'n bril van m'n kop, het lichaam gaat pijn doen. Het laatste kwartier loop ik rustiger. Ik kom thuis en voel me, na een minuut of tien, fantastisch.

Het is half februari, ik loop langs de kust van Tenerife, zonnetje, 20 graden, bij San Andres. Onderweg naar Ingueste. Ik ben net hersteld van 9 minuten (hoog) tempo en begin aan mijn tweede tempo. Weer 9 minuten. Over die kustweg. Die blijkt over een klein Alpe d'Huezje te voeren, dus ik moet 9 minuten voluit stijl omhoog. Pijn, zweet, verzuring en een lichte bloedsmaak in de mond. Ik kom boven en vraag me af hoe ik in godsnaam `ontspannen uitloop' van een berg af.

Het is nazomer, ik loop met Ernst (vriend en de enige die geregeld met mij wil lopen) in het duingebied van Aerdenhout. We hebben elkaar weer eens weken niet gezien – hij vliegt de wereld rond, ik ben echt nooit thuis – en dus ouwehoeren we: over mijn dochter en komende zoon, over zijn vriendin in Leiden en broer in Australië, over bandjes en het Lowlands Festival, over Lebbis en over lopen. Route is niet van belang, het tempo ook niet, we lopen samen, aan het eind wacht een pannenkoek.

Het is een mooie herfstdag, ik ben in Workum waar we 's avonds moeten spelen. Ik zit een week of vijf voor de Marathon van Amsterdam en wil die dag 20, 22 kilometer lopen. Langs de dijk richting Stavoren, zo blijkt. En terug, want Stavoren heeft geen theater. Die dag loop ik als vanzelf. Te hard voor een duurloop, maar het gaat zo makkelijk. Kilometer in 3.46, kilometer in 3.48, 3.44, 3.44. in mijn hoofd zit het liedje van Skik dat ik net daarvoor op de radio hoorde: `wie döt mij wat vandage, 'k heb de banden vol met wind, nee ik heb ja niks te klagen'. Ik ben na die 22 kilometer uitgeruster dan 's ochtends aan het ontbijt in Vledder. Of Meppel.

Het is zondagmiddag, 12 oktober 1985, ik loop na dik 40 kilometer richting centrum van Helmond. Daar ligt de finish van mijn vierde marathon. Ik weet dat ik onder de 2.30 uur kan blijven, maar wil dat nog niet weten, durf dat niet te denken.

Anderhalf jaar eerder liep ik nog 3 uur en 4 minuten en had het idee dat de laatste vijftien kilometer er 45 waren. Vandaag, rond Helmond, doen alleen de laatste vijf kilometer echt zeer. De laatste bocht, massa's mensen achter dranghekken, ik zie in de verte de klok op 2.28 springen. Een combinatie van opwinding, vreugde en pijn uit zich via alle kanalen: kippenvel, tranen over mijn wangen en nadat ik in 2.28,22 onder het doek door ga, toont ook mijn maaginhoud zich aan den volke. Mijn vader en moeder staan er, mijn vriendin, Lebbis en Ernst en zelfs mijn broertje Jim met een Ajax-sjaaltje om. 2.28 blijft voor mij een magisch getal.

Alle emoties die er zijn heb ik in de twintig jaar die ik nu loop over en door me heen gehad, soms tegelijk, soms te heftig. Dat maakt het lopen zo leuk.

En aanstaande zondag komt er weer een bij. Als ik bij kilometer 35 op Greg wacht, onderweg naar een toptijd: 2.11 ... 2.10 ...