Trou moet blijcken

Anno 1946

Er zijn veel te veel jonge doden

om rustig rond te kunnen lopen,

overal weer kom je ze tegen,

bleekjes, glimlachend en verlegen.

Bij vlaggen, halfstok in plantsoenen,

hoor je jezelf hun namen noemen.

Zij willen zich ons niet opdringen,

maar vullen je herinneringen.

Uit huizen, waar nu vreemden wonen,

zie je vrienden naar buiten komen,

je loopt in drukke winkelstraten

nog binnensmonds met ze te praten.

Je hoort, maar ijler dan tevoren,

steeds weer hun laatste afscheidswoorden,

zij zitten thuis op je te wachten

als de eigen binnengedachten.

Er zijn veel te veel jonge doden

om ongestoord te kunnen dromen.

Halbo C. Kool (1907-1968)

In de liefde vallen tranen, in de oorlog vallen doden. 't Lijkt of we zulke simpele waarheden zijn vergeten in dat antiseptische samenlevinkje van ons. Iemand met een relatieprobleempje wordt onmiddellijk omsingeld door een cordon begeleiders. Als iemand een ander iemand niet kan pruimen hoeft hij de krant, radio of tv maar te bellen om zijn ongenoegen wereldkundig te maken. Dat we mogen zaniken, het is niet langer een gunst, het is een recht. Intiem leed wordt omgezet in collectief vermaak, wrijvingen worden weggemasseerd met gekwek. Wat mensen bindt en scheidt is, in de gezegende slaap van onze welvaart, gereduceerd tot een smetvrij gezelschapsspel. Er zijn maar twee radicale uitingsvormen voor onze onderlinge aantrekking en afstoting, de liefde en de oorlog. Bij de liefde horen tranen, bij de oorlog horen lijken.

Oorlog is afschuwelijk, maar haar afwijzen is iets als de seksualiteit willen afwijzen. Van een oorlog verwachten dat ze clean verloopt is van de regen verwachten dat ze schijnt. Ik heb de afgelopen tijd verontruste ouders serieus horen verkondigen dat het sturen van militairen er mee door kon, alla, mits de minister de garantie wilde geven dat ze niet zouden sneuvelen. Ik heb horen verkondigen dat een ongelukkig incident, waarbij doden zouden vallen, de oorlog wel eens konden bederven. Onze klaagcultuur botst, zal ik maar zeggen, een beetje met de realiteit.

Oorlog, dat is voor ons een ietwat uit de hand gelopen relatieprobleem dat je met een therapeut, een garantiebewijs en een optreden bij Sonja Barend wel onder de knie krijgt. Als ze daar in Belgrado beginnen te zingen laat je Marco Borsato gewoon terugzingen. Oorlog, dat is een soort songfestival. Of zou het moeten zijn.

Bij hoeveel doden schrikt dit uitgebluste volk wakker? Bij hoeveel doden ontstaat er een haarscheurtje in de zelfgenoegzaamheid? Bij hoeveel doden verstart eindelijk de bemoedigende grijns om de mond van de minister? Bij hoeveel doden kunnen we zeggen

Er zijn veel te veel jonge doden

om ongestoord te kunnen dromen

– ik zou het niet weten, want ook de dromen lijken afgeschaft. Anno 1946 heet dit gedicht van Halbo C. Kool. Het was een jaar waarin het bespreekbaar maken van een probleem nog niet het probleem zelf was. Een jaar waarin het slachtofferschap, mits onder media-begeleiding, niet als een begerenswaardig doel gold. Er waren heuse dooien gevallen.

De oorlog was een realiteit. Op eigen terrein en net achter de rug. Elke straat, elke huis kende iemand die er niet meer was.

Het knappe van dit gedichtje is dat het zo simpel blijft – op een praattoon, haast dansend. Geen gesnik, geen geklaag, geen zieligheid. Geen snorkend vertoon van zelfmedelijden. Geen pathetische oproep tot solidariteit. Juist door de terughoudendheid wordt de doden alle eer aangedaan of liever de herinnering aan de doden – want dooien zijn dood en iets goed te maken valt er nooit.

Het is een gedicht van vlak na het lawaai. De retoriek uit de monden van de politieke hitsers is verstomd, de leuzen liggen mét de verdwaasden die er achteraan holden in het stof, de kogels zwijgen bij gebrek aan kogels en het is voorbij met het geraas van de bommenwerpers.

't Is of in dit gedichtje de stilte benadrukt wordt – door de keuze van woorden als rustig, binnensmonds, binnengedachten. De doden worden voorgesteld als bleekjes, glimlachend en verlegen – het geeft het geheel iets schuchters. Het gaat over de gruwel van de leegte, maar wat de toon betreft zou het net zo goed over een pril ontwaken kunnen gaan. De jonge doden hoeven zich niet eens aan ons op te dringen, zó aanwezig zijn ze in hun afwezigheid. De stad kent de onwerkelijke sfeer van een schimmenrijk. Na de woede is er de rust, naast een wereld `om ongestoord te kunnen dromen' is er het braakland. 't Is wonderlijk hoe summier de middelen zijn die de dichter nodig heeft om de onvatbaarheid van zoveel verdriet op te roepen.

Halbo C. Kool is het voorbeeld van een marginaal dichter die door de genade van een of twee gedichten aan de tijdgebondenheid is ontstegen. Hij vertelt je wat er zich afspeelt in zijn hoofd, in zijn herinneringen, in zijn binnengedachten, maar het krijgt geen zweem van zelfimportantie. Ook de dichter blijft onopdringerig, vederlicht. Hij biedt de lezer alle mogelijkheden zich in zijn positie te verplaatsen. Het is geen hoopvol gedicht. Het is, vooral door dat terloopse

Je hoort, maar ijler dan tevoren,

steeds weer hun laatste afscheidswoorden

uiteindelijk een verontrustend gedicht. IJler dan tevoren... Ook de herinnering aan de doden zal onvermijdelijk afsterven. Het zal zó lang vrede zijn dat we zullen vergeten dat vrede een uitzonderingstoestand is. De oorlog zal op een etalage-artikel gaan lijken. Op een beheersbare show. Anno 1999 bekopen we dat met schaapachtigheid.