Thuiszitter 5

Het artikel van Dooper deed me onmiddellijk denken aan de jaren vijftig. Alweer zo'n katholiek nonnenverhaal, dacht ik. Ik heb er vele moeten aanhoren in mijn jeugd. Ik ken de scheldwoorden nog, schorem, nozems, brozems, schoelje en andere domme praat die naar kinderhoofdjes werd geslingerd door onderwijzers.

Dat was nog eens een tijd. Als de meester ontdekte dat je `anders' was, creatiever of gewoon een beetje dromerig werd je tijdens schooltijd uren naar de gang verbannen, zonder uitleg. Je mocht nooit vooraan in de klas zitten als je vader vuilnisman was of fabrieksarbeider. En de vrouwen van die mannen schaamden zich voor de overalls aan de waslijn.

Nog erger was het als je kind van een gescheiden moeder was. Dan stond je overal buiten en besteedde het onderwijs al helemaal geen aandacht aan je. Maar je moeder moest wel hard werken, zonder kinderopvang. Na schooltijd kwam je thuis in een leeg huis. En om zes uur 's avonds was moeder te moe om nog te koken, dus moest jij dat doen als dochter vanaf je tiende jaar.

Anders dan Dooper stelt, financiert de overheid kinderopvang niet met zware subsidie. De overheid trekt er juist steeds minder geld voor uit. Het bedrijfsleven betaalt driekwart van de kosten, een ander deel wordt door de ouders betaald.

Vijftig procent van de moeders (onder wie steeds meer hoogopgeleide vrouwen) werkt al helemaal niet buitenshuis. Van de andere helft werkt 37 procent niet meer dan twaalf uur per week en werkt de overige zestien procent vrouwen voltijds.

Het zijn juist de laaggeschoolde vrouwen die voordeel van de kinderopvang hebben. Ongeveer eenderde van hen combineert een baan met kinderen. Van de hoogopgeleide vrouwen is slechts negentien procent werkende moeder.