Sport kan vlucht zijn voor de gekte

Oud-topsporter Gerard Nijboer was eigenlijk te zwaar voor het marathonlopen. Maar motivatie is belangrijker dan talent.

NEDERLANDERS ZIJN een specifiek loopvolk, zegt Gerard Nijboer, de meest succesvolle Nederlandse marathonloper aller tijden. ,,Om echt massaal te lopen, hebben we het te makkelijk'', stelt de 43-jarige Europees kampioen van 1982. ,,Het is lastig om iemand gemotiveerd te houden die het goed heeft. We doen een blauwe maandag aan atletiek, daarna stappen we weer over op wat anders. Dat is de vluchtigheid van onze maatschappij.''

En hardlopen is juist zo gezond en lekker, weet Nijboer, die als coördinator wegatletiek is verbonden aan de Koninklijke Nederlandse Atletiek Unie, de KNAU. ,,Je kunt ook genieten van het lopen. Maar dat lijkt lastig voor de Nederlander. Die loopt zo hard mogelijk en kijkt alleen maar op zijn horloge. We zouden meer als Amerikanen moeten lopen. Die gaan rennen om andere mensen tegen te komen en elkaar tijdens de marathon hun levensverhaal te vertellen. Ik ben vorige week tijdens het lopen even gestopt omdat er twee ringslangen lagen te zonnebaden. Prachtig om te zien!''

Het liefst zou Nijboer nog veel meer mensen zien rennen. Toch kan door het huidige aantal beoefenaars het lopen op de weg (of in het bos en het park) een volkssport worden genoemd. Maar tot zijn spijt constateert Nijboer dat voornamelijk ouderen hardlopen. Uit een onderzoek is gebleken dat de Nederlanders die ooit een marathon onder de 2.13 uur voltooiden – zeven mannen, onder wie Nijboer zelf – allen pas na hun vijftiende jaar serieus met wegatletiek begonnen. Dat is laat, te laat eigenlijk. Nijboer is van deze uitkomst geschrokken. Hij vindt dat het anders moet: bij talenten moet al op jeugdige leeftijd worden vastgesteld of ze aanleg hebben voor de baan of voor de weg.

Dat zijn twee totaal verschillende takken van de atletiek. Nijboer: ,,Je kunt nog zo'n goede techniek en coördinatie hebben, maar daar heb je op de weg waarschijnlijk niets aan. Daar gaat het om de bewegingsefficiency. Vergelijk het met de verschillende paarden. Friese en Arabische paarden lopen prachtig, bij een IJslandertje ziet het er niet uit. Maar hij houdt het wel tachtig kilometer vol en die anderen niet.''

Nijboer zou eigenlijk kinderen al op jonge leeftijd met allerlei takken van sport willen laten kennismaken, zodat ze zelf hun keuze kunnen bepalen. Hij ziet daarin een taak voor de sportkoepel NOC*NSF. ,,Gewoon op scholen aankondigen dat het de hele dag sportdag is en dan de kinderen echt alles laten uitproberen. Ik vind niet dat je mensen moet dwingen, maar je kunt ze wel adviseren en steunen in hun keuze. Wijs ze de weg om goed te kunnen worden.''

Hoe raar het ook mag klinken, Nijboer vindt zichzelf een voorbeeld van iemand die de verkeerde sport heeft gekozen. ,,Ik zou waarschijnlijk een succesvol wielrenner zijn geweest'', zegt hij. ,,Maar ik heb pas veel te laat een fiets onder mijn kont gekregen. Ik ben te zwaar voor een marathonloper. Daardoor had ik veel last van blessures. Het ideale gewicht moet rond de 60 kilo zijn en ik woog in mijn topperiode 72, 73 kilo.''

Dat hij desondanks zo veel succes behaalde – naast de Europese titel ook nog een zilveren olympische medaille in 1980 – berust volgens Nijboer vooral op toeval. ,,Mijn geluk was dat ik uitstekende mensen had die me goed begeleidden. Een dokter, een fysiotherapeut die door mijn te harde beenspieren heen wist te komen. Bovendien had ik bij mijn club een toploper, Roelof Veld, die een soort peetvader voor me werd.''

En zijn instelling was uitstekend. Motivatie is belangrijker dan talent, luidt zijn stellige overtuiging. Dat geldt vooral voor marathonlopers. Nijboer: ,,Je moet gigantisch bezeten zijn. Je moet het afzien prachtig vinden, het beest in je naar boven halen. Er wordt ook veel geduld gevraagd. Want je kan pas over een jaar of tien echt oogsten. Wie kan dat opbrengen? Iedereen wil het liefst snel laten zien wat hij kan.''

Zelf was Nijboer, zoals hij zegt, als kind a-sportief. ,,Ik was ontzettend houterig, bij de veldloopjes op school eindigde ik altijd als laatste of een na laatste.'' Het is nauwelijks voor te stellen dat hij uitgroeide tot topsporter. De grote ommekeer kwam toen Nijboer bij zijn voetbalelftal in de A-junioren een andere trainer kreeg.

,,Dat was een echte bloedhond. Hij liet ons meer trainen. Ik had tot dan toe meer op de bank gezeten dan in het veld gestaan, maar nu kregen harde werkers een kans. Je mocht fouten maken als je je best maar deed. We stonden ergens onderaan, maar werden toch nog tweede. In de laatste wedstrijd wonnen we met 5-0 van de kampioen.''

Nijboer werd gegrepen door het enthousiasme van de trainer. Bovendien voelde hij zijn lichaam sterker worden door alle oefeningen. Hij kon blijven lopen en kreeg er lol in. ,,De motivatie was groot, want je wordt ineens van niets iets. Dat is anders dan dat je al talent hebt en dat alles eigenlijk vanzelf gaat.'' Hij had de middelbare school al voltooid toen hij zich serieus op het lopen ging richten. Atletiek kreeg vooral om praktische redenen de voorkeur boven voetbal: Nijboer had in de verpleging weekeind- en avonddiensten. Het resultaat van zijn keuze is bekend.

Bijna twintig jaar na zijn grote successen loopt hij nog steeds, zo'n drie keer per week, en regelmatig nog 25, 30 kilometer per keer. ,,Ik zit ook graag op de fiets. En het tuintje spitten vind ik ook prachtig. Maar lopen hoort er voor mij bij. Het is een passie. Ik begrijp ook niets van mensen die van de ene op de andere dag met hun sport stoppen en dan dichtgroeien.'' Nijboer is niet bang dat de welvaart voor een nog grotere passiviteit bij de mensen zal zorgen. ,,Sport kan juist een vlucht zijn voor de gekte van de maatschappij.''

Samenwerking is gewenst om tot nog betere omstandigheden te komen, zegt Nijboer. Hij zou graag zien dat er meer vrouwen en vooral hele gezinnen gaan lopen. ,,In steden als Leiden en Nijmegen bestaan er al vrouwvriendelijke routes. Daar heb je parcoursen van vijf kilometer met overal lantaarns.''

Lopen leent zich uitstekend om de held uit te hangen. Nijboer: ,,De mensen blijken veel respect te hebben voor prestaties op de marathon. En dat willen ze dan zelf ook weleens proberen. Tegenwoordig moet je toch eens in je leven een marathon hebben gelopen? Ik heb wel moeite met mensen die zich een korte periode inspannen om een marathon te voltooien en daarna weer ophouden met lopen. Dan heb ik liever dat iemand geen marathon loopt, maar wel zijn hele leven beweegt.''

Om de Nederlanders tot lopen aan te zetten, wordt het weer de hoogste tijd voor een aansprekend succes van een landgenoot op de marathon. Het was in de bewoording van bondscoördinator Nijboer jarenlang ,,een puinhoop''. Maar hij heeft nu de reële hoop dat Nederland volgend jaar in Sydney met ten minste twee vertegenwoordigers op de olympische marathons kan aantreden. Veteraan Bert van Vlaanderen, Luc Krotwaar en Irma Heeren zijn kanshebbers, maar de meeste aandacht gaat uit naar Greg van Hest. De talentvolle Brabander loopt zondag in Rotterdam pas zijn tweede marathon.

Nijboer noemt Van Hest ,,een sterke en moedige persoonlijkheid''. ,,Hij steekt zijn nek uit, laat zich overal van voren zien. Als de halve marathon dé afstand zou zijn geweest, hadden we met Van Hest nu al een wereldtopper in huis gehad. Maar het draait nu eenmaal om de hele marathon. Dat is een verschrikkelijk lastige afstand. Er kunnen de gekste dingen gebeuren. Grote favorieten kunnen zo door het ijs zakken en atleten van wie je het niet had verwacht, lopen ongelooflijke tijden. Dat maakt de marathon ook zo fantastisch!''