Rozhdestvensky fascineert

De thema's die de dichtende beeldhouwer Michelangelo inspireerden tot zijn sonnetten, raakten ook bij Dmitri Sjostakovitsj verschillende persoonlijke snaren, al was dan Michelangelo's vijfhonderdste geboortedag de directe aanleiding voor zijn Suite op gedichten van Michelangelo Buonarotti (1974). Het werk mag niettemin worden opgevat als een subliem `egodocument', zowel van Sjostakovitsj' compositorisch meesterschap als van de onderwerpen die hem bezighielden. Liefde, dood, isolement, en ten slotte: een nieuw begin.

Een dergelijke liedcyclus vergt inleving voorbij de notentekst om uitwerking te kunnen hebben. Bezing thema's van een dergelijke haast beschamende diepte zonder oprechtheid of met een teveel aan drama pur sang, en wat rest is kilte, of hooguit een cliché. Gennady Rozhdestvensky, die gisteravond het Koninklijk Concertgebouworkest dirigeerde in zijn eerste uitvoering van het werk, belichtte de thematiek met oog voor nuance, toebouwend naar de laatste noot, waarin slechts de harp rest als etherische voorbode van een nieuwe levenscyclus.

De ascese waarmee Sjostakovitsj zijn muzikale rondgang van het lied Ochtend via Dood naar Onsterfelijkheid soms met rake klappen, soms in lieflijkheid vormgaf, kreeg oprecht gestalte in de bas Sergei Alexashkin. Alexashkin bezit niet het timbre om zalen te betoveren, heeft een breed vibrato en een wat omfloerste toon. Maar zijn stem heeft wel de spontaniteit die hier mag prevaleren boven vocaal geglitter – met een naakte, kwetsbare hoogte die in het lied Ochtend even de dauw naar de ogen deed vloeien.

De gestiek waarmee Rozhdestvensky dirigeert blijft een fascinerend schouwspel. Uitgangspunt lijkt steeds een stadium nul, bestaand uit de partituur inclusief bijbehorende dynamiek en opbouw. Naar stadium nul is het in Rozhdestvensky's vingergebaren vergeefs zoeken. Hij dirigeert een orkest als een koor, benadrukt inzetten en trekt stemgroepen uit boven het orkestraal geheel. En zelfs het karakter van de gespeelde klank vindt niet zelden een weerslag in zijn handen, die snaterende trompetten aanvuren met als eendenbekken klapperende vingers.

In de Suite op gedichten van Michelangelo Buonarotti leidde dat tot een interpretatie die daadwerkelijk liet horen dat hier sprake was van getoonzette sonnetten. Na de eerste zes regels hoorde je de inhoudelijke volta, en een dergelijke vormvastheid bood tegenwicht aan de inhoudelijke aangrijpendheid.

In Sjostakovitsj' op negentienjarige leeftijd gecomponeerde Eerste Symfonie (1925) leidde Rozhdestvensky's aanpak in sommige details tot een minder bevredigend resultaat. Hoewel het Concertgebouworkest werd aangezet tot gave overgangen tussen de expressieve en intieme kamermuzikale passages, ging Rozhdestvensky's detaillistisch uitgangspunt soms ten koste van de tussenstemmetjes en de balans.

Maar daar tegenover stond de getemperde dramatiek die de uitvoering van Sjostakovitsj' orkestratie van Moessorgski's Ouverture Chovansjtsjina vleugels gaf. Op zulke momenten herinner je je dat het Rozhdestvenky was die met Sjostakovitsj op tournee ging, diens werken al tijdens zijn leven uitvoerde en tot triomfen bracht, en ten slotte op Sjostakovitsj' begrafenisplechtigheid aanschoof achter de piano voor een laatste eerbetoon.

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Gennady Rozhdestvensky m.m.v. Sergei Alexashkin (bas). Werken van Sjostakovitsj en Moesorgski. Gehoord: 14/4 Concertgebouw, Amsterdam. Herh: 15,16 en 18/4 aldaar. Radio 4: 18/4 14.15 uur.