Mooie dingen uit het hoge noorden

De titel van de tentoonstelling maakt nieuwsgierig. Het Transparante Noorden — Industriële vormgeving uit Finland, Zweden, Denemarken, Noorwegen en IJsland heet de net geopende expositie in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Het noorden? Wat gebeurt daar nu? Als het gaat om industriële vormgeving hebben we immers nog steeds de neiging om naar het zuiden van Europa te kijken. De IJslanders hadden lange tijd niet eens een woord voor design, zo leert de catalogus bij de tentoonstelling. Pas in de jaren zeventig bedacht iemand de term hönnun. Denkend aan genoemde landen en design schieten wel enkele beroemde namen te binnen: Arne Jacobsen, Arabia, Alvar Aalto. En natuurlijk: IKEA.

Hoewel de Billy, de Bäs en andere ontwerpen van de Zweedse meubelfabrikant ontbreken in het Stedelijk, dringen zich hier dezelfde bijvoeglijke naamwoorden op als bij het doorbladeren van de IKEA-catalogus: functioneel en licht — licht in de betekenis van `niet zwaar' en als in `licht gekleurd'. Net als bij IKEA overheersen hier grenen en andere lichte houtsoorten.

Zweedse meubels deden in Nederland al hun intrede ruim voordat IKEA zich op grote schaal langs de snelwegen vestigde. Het Stedelijk Museum begon kort na de Tweede Wereldoorlog met het verzamelen van Scandinavisch design. De eerste tentoonstelling (1947) waar dat in resulteerde heette Zo wonen wij in Zweden. Meubels uit Zweden (en ook Denemarken) golden toentertijd als voorbeelden van `Goed Wonen', zoals dat door het gelijknamige blad gepropageerd werd. Goed Wonen stond voor: meubels die zowel het aanzien waard waren als voldeden aan `sociale eisen'. Ze moesten bijvoorbeeld passen in de relatief kleine woningen waarmee Nederland na de oorlog bebouwd werd. En dat deden de `transparante' meubels uit Scandinavië. In het blad Goed Wonen werden regelmatig producten uit Zweden en Denemarken aangeprezen, schrijft Reyer Kras, conservator van het Stedelijk museum en samensteller van de tentoonstelling, in de catalogus bij Het Transparante Noorden. Lezers van Goed Wonen werden ook getracteerd op reisverslagen naar het Scandinavische `Mekka'. Daar stond wel tien procent van de juiste lampen in de etalage, juichten de auteurs, terwijl we in Nederland niet verder kwamen dan hoogstens één procent.

Tot in de jaren zeventig voegde het Stedelijk met grote regelmaat voorwerpen uit Denemarken, Zweden en ook Finland aan zijn collectie toe. Voorbeelden daarvan zijn te zien op de begane grond van de Nieuwe Vleugel. Hier staat ook Arne Jacobsens Myren (Mier) uit 1952. Deze licht ogende maar stabiele stoel, bestaande uit een zitting van gelamineerd hout uit één stuk en een metalen onderstel, tref je vandaag de dag in goedkopere varianten aan in menige meubelzaak.

Een verdieping hoger is een overzicht te zien van hedendaagse vormgeving uit Denemarken, Zweden en Finland, aangevuld met voorwerpen uit Noorwegen en IJsland — de Faerer Eilanden werden ook onderzocht, maar daar bleek te weinig te beleven. Van Janstergard Rasmussen is een computer met beeldscherm — klein, kleurig — te bewonderen, waarmee deze Deen bewijst dat zulke apparaten niet altijd grijs en eenvormig hoeven te zijn. En natuurlijk is er een muziekinstallatie te zien van het Deense Bang & Olufsen, dat design sinds jaren tot zijn handelsmerk heeft gemaakt. Er is nog meer te zien, van een huidvochtigheidstester tot een dwarsfluit, van modellen voor elektriciteitsmasten tot scheepskatrollen. Het is zoveel dat je je als toeschouwer een beetje hulpeloos voelt tussen deze voorwerpen, de bijlen, de `boomschermers' en `varkensblazen met wensbotjes'. Want alles is zonder enige toelichting — behalve de naam van de ontwerper — in de ruimte geplant.

Maar het is wel terecht dat de tentoonstelling aandacht besteedt aan meer dan voor de hand liggende designobjecten als meubels en serviesgoed. Want het zijn juist die `andere' dingen waarmee de Noorderlingen ook buiten het eigen land het leven hebben vergemakkelijkt. Verscholen in een vitrine ligt bijvoorbeeld een kleine, maar belangrijke Noorse vinding: de paperclip. En elders, ook achter glas, een paar kaasschaven. Zowel de Noren als de Zweden claimen daarvan de bedenkers te zijn. De laatsten, in de persoon van Tom Ahlström en Ehrich, komt in elk geval een andere eer toe. Van de afwasborstel die zij ontwierpen voor Jordan werden 50 miljoen exemplaren verkocht — daarmee is het 's wereld meest verkochte vaatkwast.

Het Transparante Noorden. Stedelijk Museum, Paulus Potterstraat 13, Amsterdam. T/m 13 juni. Catalogus ƒ59,50