Lesgeven moet eindelijk weer prioriteit krijgen

Het onderwijs staat weer volop in de belangstelling maar alweer omdat het niet goed gaat. De bewindslieden komen met mogelijke oplossingen maar hun verhaal is vaker verteld en nog steeds ontbreekt een deugdelijke analyse van de problemen, vindt Ton van Haperen.

Het onderwijs is de laatste tijd weer geregeld in het nieuws en dat is niet omdat het zo goed gaat. De leraar klaagt over de scheve verhouding tussen werkdruk en salariëring. Directies hebben problemen met het vinden van geschikt personeel en de vakbond laat niet-gekwalificeerden de scholen binnen marcheren.

Minister en staatssecretaris begrijpen inmiddels ook dat er iets mis is en komen in de notitie `Maatwerk voor morgen' met mogelijke oplossingen. De bewindslieden gaan daarin het meest nijpende probleem, het lerarentekort, op dezelfde manier te lijf als de belangenbehartigers. Onbevoegden mogen ook van hen voor de klas, onder de voorwaarde dat de achterstanden in deskundigheid worden ingehaald. Het imago van de leraar willen ze verhogen door modernisering van de arbeidsverhoudingen en bevordering van mobiliteit. Mevrouw Adelmund wil een betere uitstraling van de sector, wat volgens haar inhoudt dat iemand met een modern levensgevoel zich erin thuisvoelt. De leraar van nu ontbeert dat kennelijk. Een beeld dat vanuit Zoetermeer wel vaker als uitgangspunt gebruikt is. Inhoud van de lessen, management en wijze van beloning zijn volgens beleidsmaker niet meer van deze tijd. De leraar is daardoor vastgeroest, waarmee hij de oorzaak vormt van zijn eigen tekort. De in de notitie voorgestelde initiatieven hebben tot doel deze situatie te doorbreken.

Helaas, het verhaal van de bewindslieden is vaker verteld en tot nu toe zonder resultaat. Bovendien ontbreekt het aan nuancering en analyse. Zo wordt bijna geen onderscheid gemaakt tussen voortgezet- en basisonderwijs. Onder beide typen tikt dezelfde tijdbom. De vergrijzing is enorm en verse krachten zijn door wachtgeldproblemen systematisch buiten het systeem gehouden. Maar er is ook een groot verschil. Het aantal aanmeldingen voor lerarenopleidingen voor het voortgezet onderwijs nadert nul, terwijl de PABO's juist aantrekken. Het perspectief voor basisscholen is dan ook beduidend beter.

Het is eigenaardig dat niemand zich afvraagt waarom jonge mensen wel naar de PABO en niet naar een lerarenopleiding willen. Het antwoord is namelijk de kern van het probleem. Aan de basisschool hebben ze goede herinneringen, aan de laatste jaren op de middelbare school niet. Die zijn wel leuk, maar dat zit hem in zaken die te maken hebben volwassenwording en niet met de kwaliteit van het onderwijs. Tijdens de lessen wordt de jeugd geconfronteerd met mensen in een identiteitscrisis. Leraren weten niet goed meer wie ze zijn. Vroeger was het onderwijsprobleem bij uitstek `orde', nu praat er geen mens over. Het bestaat niet meer, herrie in de klas mag best, dat heet zelfstandig werken. Een ander die probeert te doceren in een rustige omgeving, ook prima. Voor kinderen is dit echter volstrekt onduidelijk; de ultieme prikkel tot vervelend gedrag. Dan wordt daarbij ook nog eens de inhoud ter discussie gesteld; geen kennis, maar vaardigheden.

Natuurlijk, het een kan niet zonder het ander, maar waar nu de accenten liggen is overal verschillend. Daar wordt wel over vergaderd, maar voordat de betekenis van de gemaakte afspraken voor de lespraktijk duidelijk zijn, zijn ze alweer vergeten. Tegelijkertijd worden scholen groter en onoverzichtelijker. Het ergste is dat deze vervagende ontwikkelingen zich verder doorzetten. Het studiehuis is nog niet overal ingevoerd en de leerwegen in het Mavo/VBO zijn alweer onderweg. Het is gezien de haast waarmee dit gebeurt bijna zeker dat de chaos alleen maar groter wordt. Het beleid van de laatste jaren was alles tegelijk, in een noodgang, voor weinig geld, zonder rekening te houden met leeftijd en kwaliteiten van de uitvoerders. In groeiende en herstructurerende organisaties wordt van onderwijspersoneel verwacht dat ze meer leerlingen voor minder geld verwerken. Daarbij mogen leraren ook nog eens meedraaien in het beleidsproces, want scholen zijn dankzij decentralisatie verplicht om zelf uit te vinden wat goed voor hen is. Wel zijn er dan mensen nodig die dat weer coördineren, wat enkel gefinancierd kan worden door te bezuinigen op lessen. Een andere manier om geld vrij te maken in een gebudgetteerde instelling is er namelijk niet.

Degene die voor de klas staat ervaart een steeds hogere druk. Vragen, eisen en verlangens worden hem van alle kanten toegeroepen. Tijd en ruimte om zich te oriënteren krijgt hij niet. Kinderen zien het gehannes meewarig aan en trekken hun conclusies. Zij hebben respect voor iemand die veel weet en de energie kan laten stromen in het klaslokaal. Van dat laatste is niet veel meer over en het eerste is niet belangrijk; kennis schijnt te verouderen in onze versnellende samenleving. Het aangezicht van de vermoeide docent in een onduidelijke omgeving is de enige reden voor de daling van het aantal aanmeldingen op opleidingen. Er hoeft dan ook niks verwacht te worden van het inzetten van niet-bevoegden. Die haken na een paar maanden vanzelf wel af. Thuis keihard studeren om de volgende dag iets te vertellen aan kinderen die ook niet helemaal begrijpen wat er van ze verwacht wordt, is enkel op te brengen door iemand met een sterk ontwikkeld zelfbewustzijn. Dat is over het algemeen niet de kwaliteit van een student.

Adelmund en Hermans brengen weinig geld mee en bieden geen oplossingen. Zittend personeel krijgt de trappers niet meer rond en de bewindslieden laten ze lekker doorharken. In plaats daarvan veel holle praat. Er is niemand die gelooft dat een paar honderd gulden extra een leraar naar de Randstad lokt, om op een achterstandsschool les te gaan geven. Zeker niet als in die regio huisvesting onbetaalbaar is. Modernisering van de arbeidsverhoudingen, functiedifferentiatie en bevorderen van mobiliteit, het klinkt even modern als onzinnig. Een leraar die baalt van zijn baan, kan daar zelf iets aan doen. Daar hoeft geen beleid op gemaakt te worden. Mensen in het basisonderwijs die doorstromen naar middelbare scholen, is een verschijnsel dat altijd al bestaan heeft. Opleidingen die daar op inspringen verkopen oude wijn in nieuwe zakken. Elke leraar is in potentie mobiel, hij kan overal terecht.

Mevrouw Adelmund stelt monter `een probleem biedt een nieuwe kans', een uitspraak waarmee ze herinneringen oproept aan Johan – elk nadeel heb zijn voordeel – Cruyff. Positief denken is mooi, maar als daarbij oorzaken van het verlies genegeerd worden, levert het vooral frustratie op. Zeker als daar bovenop nog eens teksten volgen als `nieuwe mensen zorgen voor prik in de fles'. Het probleem is juist dat de laatste jaren teveel gratuit gebubbeld is. Bij weinig middelen is het devies back to the basics.

Verklaar lesgeven tot prioriteit, laat beleid voor wat het is, zet middenkader voor de klas, verklein de groepen en geef de leraar tijd en rust om zich aan te passen aan hedendaagse eisen. Dan ontstaat eindelijk ruimte om op adem te komen, eigenheid te herdefiniëren, de rug te rechten en de strijd aan te gaan. Het moment dat de leraar weer knokt voor zijn klas, zullen de aanmeldingen op lerarenopleidingen vanzelf toenemen.

Ton van Haperen is leraar economie in het voortgezet onderwijs.