Kritiek op inkomensstudie CBS

De inkomensongelijkheid is tussen 1977 tot 1997 fors gestegen, meldde het CBS eind maart. Op die krasse stelling is het een en ander af te dingen, zo valt af te leiden uit de reactie van minister De Vries (SZW) en onderzoeker P. Hendrix, die eind vorig jaar de studie `Welvaartsverschillen' publiceerde.

Discussies en stellingen over inkomensongelijkheid plegen – gebonden als ze zijn aan principes en emoties over sociale rechtvaardigheid – veel aandacht te trekken. Dus toen het Centraal Bureau voor de Statistiek op 25 maart een persbericht de wereld inzond onder de prikkelende kop `Verschil lonen en uitkeringen laatste 20 jaar fors toegenomen' kwamen de voornaamste conclusies volop in de publiciteit.

Die CBS-conclusies logen er niet om. Het besteedbare inkomen van huishoudens met een uitkering kelderde van 1977 tot 1997 met 23 procent, terwijl dat van werkenden over dezelfde periode met 2 procent steeg en dat van gepensioneerden zelfs met 11 procent. Kortom, de inkomenskloof was de afgelopen twee decennia ernstig verdiept.

Kritische reacties op deze stelling lieten niet lang op zich wachten. De CBS-onderzoekers hanteerden, volgens het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, voor hun berekeningen het gemiddelde inkomen. En daarbij was geen rekening gehouden met wisselingen in de populatie van verdieners en uitkeringsgerechtigden tussen 1977 en 1997. En die wisselingen blijken fors uit te vallen. Het aantal doorgaans minder verdienende eenpersoonshuishoudens groeide in die 20 jaar van 20 naar 33 procent van het totaal. En het aantal doorgaans meer verdienende tweeverdieners groeide zelfs van een kwart van alle echtparen in 1977 naar bijna tweederde in 1997.

Minister De Vries liet vorige week dan ook in antwoord op Kamervragen naar aanleiding van het CBS-onderzoek weten: ,,Het aantal alleenstaanden met een relatief lage uitkering (op bijstandsniveau 70 procent van een paar) is fors gestegen. Hierdoor daalt het gemiddelde inkomen. Ook overgangsmaatregelen die alleen voor nieuwe gevallen gelden, beïnvloeden het gemiddeld inkomen. Voor de koopkrachtontwikkeling van individuele huishoudens is de ontwikkeling van het gemiddeld inkomen van alle inactieven weinig betekenisvol.''

Een andere vertekening vloeit volgens onderzoeker P. Hendrix (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) voort uit de keuze van het basisjaar 1977 toen de koopkracht van uitkeringsgerechtigden zich – in de tijd gezien – op een maximaal niveau bevond.

In zijn afgelopen oktober verschenen studie `Welvaartsverschillen' (Elsevier) legt Hendrix uit hoe die verschillen in Nederland vanaf de Tweede Wereldoorlog tot in de tweede helft van de jaren zeventig almaar kleiner werden. Dat was onder meer het gevolg van de sterke uitbouw van de verzorgingsstaat en de vergrote toegang tot het voortgezet onderwijs, waardoor beloningsverschillen afnamen.

Tweede helft jaren 70 bleef de koopkracht van de minimumuitkering veel sterker stijgen dan die van de lonen, wat begin jaren tachtig door de recessie en de sterk toenemende werkloosheid onhoudbaar bleek. De Dutch disease was uitgebroken en in het Akkoord van Wassenaar (1982) werd tot het grote tegenoffensief besloten. Loonmatiging, flexibilisering van beloningsverhoudingen, vergroting van financiële prikkels en individualisering veroorzaakten, volgens Hendrix, in de jaren tachtig inderdaad fors meer inkomensongelijkheid. Maar met als langere-termijndoel dat meer mensen aan het werk gingen en dat daardoor op termijn weer kleinere inkomensverschillen ontstonden.

Feit blijft dat 1977 op toppen van nivellering en nogal atypisch jaar was. Had het CBS bij zijn koopkrachtonderzoek bijvoorbeeld 1965 (toen de Bijstand het licht zag) als uitgangpunt genomen, schreef De Vries aan de Kamer, dan was de koopkracht van de bijstand in 1997 met niet minder dan 70 procent gestegen.

Ook een bestudering van een kortere periode dan de 20 jaar van het CBS geeft nuttige details. Hendrix wijst er bijvoorbeeld op dat tussen 1977 en 1997 vrijwel de gehele toename van de inkomensongelijkheid tot de jaren tachtig beperkt blijft.

,,Het inkomensbeleid is per saldo na de denivellerende jaren tachtig vanaf 1990 weer nivellerend geweest'', resumeert Hendrix. Hij beschrijft hoe van 1990 tot 1994 de effecten van ontkoppeling en een hoger arbeidskostenforfait werden gecompenseerd door het verhogen van de basisaftrek en een aantal andere specifieke maatregelen. En van 1994 tot 1998 werden `specifieke nivellerende maatregelen' getroffen. Dat de inkomensongelijkheid in de jaren negentig maar weinig meer toenam, blijkt trouwens ook uit het CBS-onderzoek.

Wat gebeurde er sinds 1997? Voor harde uitspraken is het te vroeg. Wel bleef de werkloosheid scherp teruglopen en dat moet wel een nivellerend effect op de inkomens hebben gehad, waar weer belangrijke denivellerende ontwikkelingen tegenover stonden. Zoals de enorme beurswinsten die, ondanks verhalen over `camping-kapitalisme', vooral terecht zullen zijn gekomen bij de hogere inkomens. Of de extreme stijging van de huizenprijzen terwijl de huren jaarlijks met 3 tot 6 procent bleven stijgen.