Kotsen en zwalken is slecht voor imago van de sport

Twaalf Rotterdamse lopers trainden de afgelopen maanden voor de marathon van Rotterdam. Over hun angst voor blessures. Over het onbegrip bij de buitenwacht. En over de euforie bij de finish.

VANDAAG, OP DE laatste trainingsdag voor de marathon van Rotterdam, loopt de groep in een rustig tempo van de atletiekbaan naast Diergaarde Blijdorp naar het stadhuis aan de Coolsingel. Daar worden op de brede trappen de spieren gestretcht. Daarna raakt iedereen de startlijn even aan en lopen ze samen de eerste kilometers van het parcours. Tot net over de Erasmusbrug.

,,Dat ritueel volgen we elk jaar'', zegt Cor Bezemer (44), lange-afstandstrainer van Rotterdam Atletiek en zelf een ervaren marathonloper: ,,Om de sfeer vast op te snuiven.'' Dat kan, want de startstrepen staan al op het asfalt. En er zijn lopers uit binnen- en buitenland, die ook het parcours komen verkennen en elkaar met handopsteken groeten. Lopen van de marathon schept een band. ,,Iedereen spreekt de marathontaal'', zegt Cor. ,,Bij iedereen gieren de zenuwen al door de strot.''

Tweeënhalve maand geleden zag de training er heel anders uit. Sinds januari wordt er in de groep van Cor fanatiek naar de marathon toegewerkt. Twee keer per week – ongeacht regen, hagel of sneeuw – komen zijn mannen (en één vrouw) naar de baan. Van de twaalf lopers, starten er acht in de marathon. Zoals Don Jassies (37), registeraccountant, die na zijn werk snel een `bakkie muesli' eet en naar de baan spurt. Ook organisatieadviseur Hans Bos (37) kust zijn vrouw en dochters van twee jaar en van vier maanden direct na thuiskomst gedag en racet met een flesje energiedrank naar de club om voor de marathon te trainen. Medewerker personeelszaken Evert de Graaf (36), in zijn fel oranje hesje niet over het hoofd te zien, heeft de afgelopen maanden geen één keer gemist.

Tijdens het rondje inlopen en het rekken en strekken van de spieren wisselen ze nieuwtjes uit, maken grappen en bespreken hun blessures. ,,We hebben altijd wel wat'', zegt Evert. ,,Of we zijn bang om iets te krijgen.'' Ook de tijden die iedereen heeft gelopen, zijn een geliefd gespreksonderwerp. Hans heeft wat dat betreft een tic: hij onthoudt van iedereen alle tijden. ,,Ik zou niet weten wat mijn pr (persoonlijk record – red.) is'', grijnst een van de lopers. ,,Vraag het Hans, die weet het.'' Korte tijd later is er geen adem meer voor geintjes. In straf tempo werken de atleten het trainingsschema af. In een `treintje' dicht achter elkaar, schieten ze over de baan, waarbij de voorste man het tempo aangeeft. Drie maanden geleden, toen het kouder was, sloeg de damp na een paar minuten in witte wolkjes van de lopers af. Pas in maart werd dat minder. Trainer Cor loopt mee en geeft hier en daar aanwijzingen. Voor buitenstaanders is er moeilijk een lijn in de training te ontdekken – dan lopen ze langzaam, dan weer hard – maar alle lopers hebben thuis het strakke schema van Cor op het prikbord hangen.

Het trainen in een groep is voor iedereen een stimulans. ,,Je loopt harder omdat je door de anderen wordt meegetrokken'', zegt Hans. Don zou nooit in zijn eentje voor de marathon trainen. Zelfs Evert, die pas een paar jaar in clubverband loopt en daarvoor alleen liep, zou niet anders meer willen. Evert: ,,Er is een gezonde onderlinge concurrentie, maar iedereen heeft waardering voor de prestaties van de ander.''

Cor zorgt ervoor dat zijn lopers goed getraind aan de start verschijnen. Ze kunnen de marathon allemaal binnen drie uur finishen. ,,Het beste is om de eerste dertig kilometer ontspannen te lopen'', zegt hij. ,,Daarna wordt het zwaar, maar dat is ook de kick. Je komt er doorheen als je in vorm bent.'' Hij walgt daarentegen van de vele slecht getrainde lopers die zondag zwalkend en kotsend de finish bereiken, of niet. ,,Dat is niet goed voor het imago van de sport.''

Een marathon loopt je niet zomaar. Je moet doorzettingsvermogen hebben. Praktisch elke dag moet er gelopen worden. Evert vindt duurlopen, liefst langs de Rotte, heerlijk. Het `dieseltje', noemen zijn maten hem. Op de baan is hij niet de snelste, maar als hij eenmaal op gang is, vreet hij kilometers.

Don loopt liever korte afstanden. Tien jaar geleden liep hij zijn laatste marathon. Daarna kwam het er niet meer van, voornamelijk wegens zijn zware accountantsopleiding. Nu wil hij hem nog één keer lopen, om te laten zien dat hij het nog kan. Het kost hem veel moeite, heeft dan weer last van zijn knie, dan weer van zijn voet. ,,Ik word oud'', zegt hij quasi mistroostig. ,,Don is een taaie'', zeggen de anderen. ,,Hij slaat zich er wel doorheen.''

Vrienden, familie en collega's kijken wel eens meewarig naar deze fanatiekelingen, maar accepteren de marathongekte meestal wel. Toen Evert een vriendin kreeg, vertelde hij haar al meteen dat het lopen nu eenmaal bij hem hoort. Gelukkig vond ze het prima, ze gaat in het weekeinde zelfs met hem mee op de fiets. Soms lopen er huwelijken op stuk. Evert denkt dat zijn hardlooppassie een belangrijke reden was voor het eindigen van zijn vorige relatie. Gelukkig houdt Hans' vrouw wel van lopen. Met twee kleine kinderen heeft Hans soms toch het gevoel tekort te schieten. ,,Je moet er erg veel voor opzij zetten.''

In de weken voor de marathon stijgt de nervositeit. ,,Ik loop de marathon soms vier keer per nacht'', zegt Hans. Evert dubt nog steeds over welke schoenen hij zal aantrekken: het slappere paar dat zo goed zit of toch maar die stevige schoenen. Anderen twijfelen wat ze op de avond voor de marathon het beste kunnen eten. De een zweert bij pasta, Hans eet rijst met kip. ,,Daar val je je geen buil aan.''

Ook is iedereen als de dood voor blessures. Evert struikelde vorig jaar twee weken voor de marathon over een overstekende hond. Vervolgens moest hij starten met een flinke wond aan zijn arm. Hoe meer de startdatum van de marathon nadert, des te gevoeliger de lopers worden voor pijn. Overal denken ze kramp of stijfheid te voelen. ,,Da's normaal'', zegt Cor. ,,Komt door de spanning.''

Als de stress op de dag voor de marathon te veel wordt, raadt Hans de atleten aan afleiding te zoeken. Zelf heeft hij bijvoorbeeld een keer zijn hele huis schoongemaakt, maar gooide toen per ongeluk ook zijn startnummer weg. Paniek. Gelukkig kon hij bij de start een nieuwe krijgen. Alleen Don blijft onverstoorbaar: ,,Ik ben niet zo'n zenuwpees.''

De lopers zijn het met elkaar eens: geen enkele marathon kan tippen aan die van Rotterdam. ,,Ik hoef niet naar Berlijn of New York'', zegt Hans. ,,Maar om als Rotterdammer door Rotterdam te lopen, is een onvoorstelbare kick.'' Don: ,,Het publiek is geweldig. Rijen dik staan ze aan de kant te juichen.'' Het is een soort verslaving, geeft Evert toe: ,,Eerst dacht ik: ik wil hem één keer gelopen hebben. Maar daarna bleef het een uitdaging om de tijd van het jaar daarvoor te verbeteren.'' Komende zondag doet hij voor de vijfde keer mee.

Wat is toch die mysterieuze aantrekkingskracht van de marathon? Volgens Cor die hem zelf elk jaar ook loopt, heeft het te maken met de afstand. ,,Je loopt in feite van Amsterdam naar Utrecht. Dat is een takke-eind, hoor. Je loopt, je kan niet meer, je schraapt het bodempje kracht uit je tenen. Als je dan toch de finish haalt, heb je iets gepresteerd. We zijn niet meer gewend om het uiterste uit onszelf te halen. We stappen in de auto en that's it. Het lopen van de marathon geeft een oergevoel. En de marathon uitlopen is domweg euforie.''