De groene verzuiling

Net als de Nederlandse maatschappij wordt de tuinenwereld gekenmerkt door een hokjesgeest. Voor de gewone tuinliefhebber die houdt van gezelligheid zijn er uitstapjes en lezingen in het dorpshuis, wie iets meer het accent op de tuin wil leggen, kan zich aansluiten bij een echte tuinclub en voor de elite is er de Nederlandse Tuinenstichting. De tuinclub als maatstaf voor het belastbaar inkomen.

Wie een allesverterende liefde voor varens heeft, kan zich aanmelden als lid van de Nederlandse Varen Vereniging; wie in Vlaanderen woont en irissen verzamelt, kan terecht bij de Vlaamse Irisvereniging. Liefde voor vetplanten is grensoverschrijdend: `Succulenta' is de welgekozen naam van de Nederlands-Belgische Vereniging van Liefhebbers van Cactussen en andere Vetplanten. Zo is de tuinwereld netjes verkaveld. Maar ook voor liefhebbers met een meer algemene interesse in alles wat groeit en bloeit zijn er verschillende mogelijkheden.

Het belangrijkste bastion in de vaderlandse tuinwereld is sinds jaar en dag de KMTP: de Koninklijke Maatschappij voor Tuinbouw en Plantkunde. Deze organisatie geeft een maandblad uit, `Groei en Bloei', en heeft afdelingen in veel steden en dorpen. Deze afdelingen organiseren allerlei activiteiten, zoals het gezamenlijk maken van kerststukjes, uitstapjes naar bezienswaardige tuinen en evenementen, ruilbeurzen en lezingen. Ik geef vaak van die lezingen, soms in een zalencentrum, maar ook wel in een dorpshuis of een kerk. Een diaprojector en een scherm worden in stelling gebracht; de spreker stelt zich voor de zaal op en steekt van wal. De leden van de Koninklijke Maatschappij behoren meestal niet meer tot de jongsten en vrouwen zijn veruit in de meerderheid, zodat je als spreker uitkijkt over een zee van grijze permanentjes. Zo'n lezing begint meestal om acht uur en duurt tot een uur of half elf. Om negen uur wordt er een pauze ingelast en het is voor de spreker zaak om zich daar stipt aan te houden, anders wordt hij er door de uitbater van de zaal aan herinnerd door een ooorverdovend gerinkel van koffiekopjes. In de pauze worden meestal planten verloot - een soort plantaardig bingo - waarna het tweede deel van de lezing begint. Ook nu weer is het zaak om de klok in de gaten te houden, want als de lezing dreigt uit te lopen, dan worden om half elf resoluut de handtassen op de schoot gezet ten teken van het feit dat het nu wel genoeg is.

Ik schets nu een karikaturaal beeld van de leder der Koninklijke Maatschappij, maar het is geen toeval dat er naast deze vereniging een netwerk is ontstaan van kleine, onafhankelijke tuinclubs waarin het accent misschien iets minder op gezelligheid en iets meer op de tuin ligt. Het initiatief tot de oprichting van deze tuinclubs werd in de jaren zeventig genomen door mevrouw Barendrecht-'t Hoen, die toentertijd, samen met mevrouw Muller-Idzerda en mevrouw `Wel-en-wee-in-de-dorpstuin' Stam het gezicht van de Nederlandse groenjournalistiek vormde. Mevrouw Barendrecht-'t Hoen verzorgde een ruilrubriek voor planten en zaden in het kwartaalblad `Onze Eigen Tuin', een tijdschrift dat in de jaren vijftig door Mien Ruys met veel idealisme werd opgericht. Mevrouw Barendrecht-'t Hoen bedacht dat stekjes en zaden ook zonder haar tussenkomst geruild zouden kunnen worden als lezers - en vooral lezeressen - zich in klein verband zouden organiseren. Zo ontstonden de eerste tuinclubs, die meestal net zo veel leden telden als er in een huiskamer konden zitten. 'Onze Eigen Tuin' stelde ruimte beschikbaar voor een rubriek 'Tuinclubnieuws' en mevrouw Barendrecht-'t Hoen fungeerde als contactvrouw, tot 22 jaar geleden, toen Rietje van der Lee-Kieviet haar taak overnam.

Medio jaren '70 waren er 24 tuinclubs, nu driehonderd, hoewel het precieze aantal niet valt vast te stellen omdat niet alle tuinclubs zich bij Rietje van der Lee aanmelden.

Het verschijnsel tuinclub getuigt van een mild soort anarchisme; er bestaat geen overkoepelend bestuur, er zijn geen statuten en er is geen tijdschrift dat de leden bindt, hoewel `Onze Eigen Tuin' door de meeste wel zal worden gelezen. Wie zich bij een tuinclub wil aansluiten, belt mevrouw Van der Lee. Als zich in de directe omgeving geen tuinclub bevindt, dan kan men een oproep plaatsen in `Onze Eigen Tuin' en bij voldoende reacties gaat een nieuwe tuinclub van start.

De verspreiding van het aantal tuinclubs geeft een boeiend sociologisch beeld van Nederland. Eindhoven en omgeving telt acht tuinclubs, waaruit je de conclusie zou kunnen trekken dat er door de Philips-vrouwen druk getuinierd wordt. Veel tuinclubs houden hun bijeenkomsten overdag en aan het aantal tuinclubs zou je dus conclusies kunnen verbinden betreffende het aantal werkende vrouwen. Amersfoort en omstreken telt maar liefst tien tuinclubs en ook in het Gooi zijn de groene weduwen dik gezaaid. Natuurlijk houdt het aantal tuinclubs ook verband met het aantal tuinen; zo is er maar één in Amsterdam, terwijl Amstelveen er drie telt. Zeeland, een provincie met een zekere tuincultuur, heeft er vijftien en Drente - land van heideschapen en bruine bonen - telt er maar vijf. Ik denk dat er een leuke afstudeerscriptie te schrijven zou zijn over het verband tussen het lidmaatschap van een tuinclub en belastbaar inkomen.

Tot de activiteiten van de doorsnee tuinclub behoren ruilochtenden, bezoeken aan elkaars tuinen of aan die van leden van andere tuinclubs, excursies en bezoeken aan kwekerijen. Vroeger bezat ik een kwekerij en tuinclubs ontving ik met open armen, want omdat leden meestal niet armlastig waren, kon zo'n bezoek de dagomzet behoorlijk opjagen. Vaak verschenen de dames in een konvooi van Volvo's-met-hondenrek en waren ze uitgedost in tweed-rokken, waxjassen, parelkettingen en Greve-schoenen. En meestal kochten ze allemaal dezelfde planten.

Hoewel ik geen lid ben van een tuinclub, ben ik een verwoed lezer van de rubriek `Tuinclubnieuws' in `Onze Eigen Tuin' en daaruit krijg ik de indruk dat de tuinclubcultuur over haar hoogtepunt heen begint te raken. Het kan ook moeilijk anders; de maatschappij verandert, steeds meer vrouwen gaan werken en hoewel er ook een weekendtuinclub voor werkenden, een mannentuinclub en zelfs een homotuinclub bestaan, lees ik nu toch regelmatig over tuinclubs die worden opgeheven: ,,Helaas kregen wij bericht dat in Arnhem `De Juffers in 't Groen' hun tuinclub op 19 november jl ten grave hebben gedragen. Oorzaak: gebrek aan belangstelling van de kant van de leden. Héél jammer, het jaarprogramma zag er toch zo veelbelovend uit!'

Net als de rest van de maatschappij lijden tuinclubs onder vergrijzing en het is dan ook te verwachten dat `Fluitekruid', `Vrouwenmantel', `Groene Vingers' en `De Gooise Loot' het in de toekomst nog moeilijk zullen krijgen. Ook lijken de leden van de clubs veeleisender te worden, getuige het verslag van de activiteiten van de 1e Huizertuinclub: ,,Ook deze club doet `leuke dingen', zoals een midweek naar Normandië en plannen maken voor een reis naar Ierland. Aan deze reizen doet iedereen mee, maar er wordt wel een zekere `tuinmoeheid' bespeurd voor `gewone' tuinuitstapjes.'

Naast de strak georganiseerde KMTP en de vrijblijvende tuinclubs bestaan er nog andere organisaties die zich met tuinen bezighouden. De Nederlandse Tuinenstichting is nog het beste te vergelijken met een soort groene Rotary, hoewel er geen ballotage is en iedereen donateur kan worden. Donateurs ontvangen vier maal per jaar het `Tuinjournaal', dat vaak aan een bepaald thema, zoals rotstuinen of watertuinen is gewijd. Het doel van de Nederlandse Tuinenstichting is het instandhouden van tuinen die dateren van na 1850 met een karakteristieke vormgeving, ligging en beplanting. Die tuinen zullen er ongetwijfeld zijn, maar het feit dat de middelmatige Hof van Walenburg in Langbroek door de Nederlandse Tuinenstichting als vlaggenschip in stand wordt gehouden, doet het ergste vermoeden. Donateurs van de Nederlandse Tuinenstichting zijn te herkennen aan een tuinpas waarmee zij bij kwekers korting bedingen en gratis toegang hebben tot een aantal tuinen die speciaal voor hen zijn opengesteld en die vermeld worden in een Open Tuinen Boekje dat iedere donateur jaarlijks krijgt toegestuurd.

Evenals de Nederlandse maatschappij is ook de Nederlandse tuinwereld verzuild, al lopen de breuklijnen niet parallel aan godsdienst, maar aan inkomen. De proletariërs, met een voorkeur voor dahlias en gladiolen, vind je bij de KMTP, daarnaast heb je de nouveau-riche, verenigd in tuinclubs, met als totems de astrantia en de buxusbol en top van de piramide wordt gevormd door het patriciaat van de Nederlandse Tuinenstichting met als symbolen de rhododendron en de magnolia.

Correctie:

In het artikel De groene verzuiling (in de krant van donderdag 15 april,

pagina 13) is iets misgegaan met de bijschriften. Er is tweemaal sprake van

`prieel', terwijl het in alle gevallen om tuinkoepels gaat. De kleine koepel

op de foto links boven staat op het terrein van Middenhoek aan de weg tussen

Loenen en Nieuwersluis. Deze wordt gevolgd door de koepel van het buiten VreedenHoff,

die op de kleine foto is afgebeeld. De koepel op de foto onderaan rechts behoort

bij het buiten Over Holland, even verder stroomopwaarts aan de Vecht gelegen

tussen Nieuwersluis en Breukelen.