Betrokken burger vergroot opkomst

De burger moet meer betrokken raken bij het bestuur van de gemeente waarin hij woont, vindt Hugo Schorer. Alleen zo kan de opkomst bij verkiezingen worden vergroot.

De discussie over de lage opkomst bij de Provinciale Statenverkiezingen is opnieuw losgebarsten. Allerlei oorzaken worden genoemd: de desinteresse van de kiezers, de jachtige samenleving, individualisering, onvoldoende inhoudelijke verschillen tussen de politieke partijen, de provincie die de burger niet aanspreekt, et cetera. Allerlei oplossingen worden aangedragen om het tij te doen keren, variërend van herinvoering van de opkomstplicht, combinaties van verkiezingen tot afschaffing van de provincies, dan wel afschaffing van de directe verkiezing van de Provinciale Staten.

In de meeste analyses en commentaren wordt gerefereerd aan het gemiddelde landelijk opkomstpercentage. Zelden wordt echter gewezen op het feit dat er een duidelijke relatie ligt tussen de opkomst en de grootte van de gemeente, in die zin dat gemiddeld genomen de opkomst lager is naarmate een gemeente meer inwoners telt. Dit is niet alleen zo bij gemeenteraadsverkiezingen, maar ook bij Tweede Kamer- en Provinciale Statenverkiezingen.

De verschillen in opkomst tussen gemeenten met minder dan 10.000 inwoners en de vier grote steden zijn groot en nemen toe. Het opzienbarendste verschil valt te constateren bij de gemeenteraadsverkiezingen van maart 1998. De gemiddelde opkomst in gemeenten met minder dan 10.000 inwoners was toen 70,4 procent en in de vier grote steden niet meer dan 49,7 procent.

De verklaring voor die grote verschillen is dat inwoners van een kleine gemeente meer betrokken zijn bij de publieke zaak dan inwoners van een grote gemeente. De kleinschaligheid van een gemeente vergroot de belangstelling voor het openbaar bestuur. In eerste instantie lijkt dit geen verklaring op te leveren voor de verschillen bij de Tweede Kamerverkiezingen. De landelijke kopstukken zijn immers net zo goed op de televisie te zien in dorpen als in de grote steden. Ook voor de zeer grote verschillen bij de Provinciale Statenverkiezingen lijkt dit geen verklaring. De onbekendheid van de meeste leden van de Provinciale Staten neemt immers niet toe naarmate een gemeente groter is.

Toch zien we ook bij de landelijke en provinciale verkiezingen een duidelijk verband tussen opkomst en gemeentegrootte. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de betrokkenheid van de inwoners bij het lokale bestuur niet alleen van invloed is op de opkomst bij de lokale verkiezingen, maar ook op de opkomst bij landelijke en provinciale verkiezingen.

Welke factoren beïnvloeden de betrokkenheid van de inwoner bij het lokale bestuur?

In de eerste plaats is in een kleinere gemeente de gemeenteraad meer herkenbaar en aanspreekbaar dan in een grotere: een raadslid in een grote gemeente wordt verondersteld meer inwoners te `bedienen' dan een raadslid in een kleine gemeente. Het is immers wettelijk zo geregeld dat de grootte van de gemeente het aantal raadsleden bepaalt. In een gemeente met 3.000 inwoners zijn er daardoor ongeveer 330 inwoners per raadslid; in een gemeente met 200.000 inwoners zijn dat er ongeveer 4.400.

Een tweede aspect van de betrokkenheid van de burger bij het lokale bestuur is de vraag in hoeverre de bevolking zich door een gemeenteraad vertegenwoordigd voelt. Dit is meer het geval, naarmate de samenstelling van de raad – wat de beroepsachtergrond van de raadsleden betreft – meer een afspiegeling is van de samenstelling van de bevolking. Concreet: als er in de gemeenteraad van een plattelandsgemeente geen enkele boer zit, dan zullen de boeren ter plaatse zich niet erg betrokken voelen bij het lokale bestuur.

Ook de afstand tussen bestuurders en inwoners is van belang. Als een burger merkt dat zijn signalen doorkomen en niet gesmoord worden in de bureaucratische brei van een groot log gemeentelijk apparaat, zal de burger het gevoel krijgen dat hij serieus genomen wordt, blijft de afstand tussen bestuurders en inwoners overzienbaar en zal diens betrokkenheid bij het lokale bestuur toenemen.

De laatste jaren hebben twee ontwikkelingen echter geleid tot een toename van de bureaucratie bij de gemeenten. In de eerste plaats heeft het rijk bepaalde taken aan de gemeenten overgedragen, zoals bijvoorbeeld de uitvoering van de Wet voorzieningen gehandicapten. Doel van die operatie was onder meer het verminderen van de bureaucratie in Den Haag.

Maar tegelijkertijd spelen ook de gemeentelijke herindelingen een rol. Deze leiden op zich niet tot meer ambtenaren, maar de samenvoeging van een aantal gemeentelijke organisaties tot één nieuw gemeentelijke apparaat leidt wel tot meer bureaucratie.

Zo is het aantal ambtenaren in dienst van gemeenten (exclusief gemeentepolitie, openbaar onderwijs en nutsbedrijven) gestegen van gemiddeld 100 per gemeente in 1955 tot zo'n 300 per gemeente in 1997.

Als we de opkomst als maatgevend beschouwen voor de betrokkenheid van de burger en kijken naar het concrete effect van een gemeentelijke herindeling op de opkomst, dan is in de recent heringedeelde gemeente Buren te zien, dat de gemiddelde opkomst bij de raadsverkiezingen in 1994 70 procent was en bij de verkiezingen voor de nieuwe gemeenteraad in 1998 54 procent.

Al deze factoren beïnvloeden zowel de betrokkenheid van de burger bij het lokale bestuur als de opkomst bij de verkiezingen.

Willen we dus wat doen aan die opkomst, dan moeten we de betrokkenheid van de burger bij het openbaar bestuur op lokaal niveau vergroten.

Hoe groter de gemeente, des te moeilijker die opgave is. In feite betekent het dat we het dorp in de stad moeten brengen. Het openbaar bestuur dient daartoe iedere burger daadwerkelijk serieus te nemen. Om een voorbeeld te noemen: in mijn ogen neem je een kiezer niet serieus als je hem of haar als gemeente voor de verkiezingen geen lijst met kandidaten toestuurt. Als bestuurder dien je blijk te geven je verantwoordelijk te voelen voor een goede besteding van iedere gulden belastinggeld die je vraagt van de inwoners.

Een dergelijke houding moet inwoners weer het gevoel geven dat het gemeentebestuur de instantie is om hun belangen te behartigen en niet een anonieme tegenpartij. We moeten het bestuur zo inrichten dat meer inwoners actief kunnen zijn in het lokale bestuur.In 1931 was nog 1 op de 720 burgers actief als gemeenteraadslid, nu is dat nog maar 1 op de 1540.

Ook dient het lokale bestuur zo dicht bij de burger te staan dat iedere burger zich zonder moeite met zijn problemen tot een lokale bestuurder kan wenden. Dit kan alleen door vermindering van de bureaucratisering op gemeentelijk niveau.

Schaalvergroting in het lokale bestuur doet afbreuk aan de betrokkenheid van de inwoners en dient dus achterwege te blijven. Anders hebben we straks alleen nog maar `robuuste' gemeenten, waar de democratie niet meer leeft.

De uitdaging voor onze democratie in het komende decennium is dan ook het vergroten van de betrokkenheid van de burger bij het openbaar bestuur en het verkleinen van de afstand tussen bestuurder en burger. Als we daar veel energie in steken, zal de beloning een hogere opkomst bij de verkiezingen en een daadwerkelijk levende democratie zijn.

Hugo Schorer is burgemeester van Renswoude.