Albanese film biedt meer dan propaganda

Dat ze juist nu plaatsvinden, is toeval. De Albanese Filmdagen waren al gepland, lang voordat de Albanese Kosovaren uit hun huizen werden verdreven en hun toevlucht zochten in Albanië en Macedonië. Een gelukkig toeval, zou je kunnen zeggen, want de belangstelling voor de regio is groter dan ooit. Toch zaten de organisatoren van de Albanese Filmdagen, die vandaag in Rotterdam beginnen en volgende week in Amsterdam worden voortgezet, er behoorlijk mee in hun maag, zo blijkt uit een nagekomen persbericht. Niet alleen vanwege de problemen met vervoer van gasten en films. Pas nadat ze waren gerustgesteld door de Albanese ambassadeur in Nederland – ,,hij ziet geen moreel bezwaar, ook in Albanië gaat het dagelijks leven zijn gewone gang'' – besloten ze het programma door te laten gaan. Merkwaardig, die ethische schroom om je te verdiepen in de cultuur van een volk in moeilijkheden. Zelfs als het programma pas onlangs in elkaar was gezet, dan nog was het volstrekt legitiem geweest.

Gebrek aan geld en vrijheid hoeft een filmcultuur niet in de weg te staan, getuige bijvoorbeeld de Sovjet-cinema. Voor de Albanese leider Enver Hoxha was dat geen voorbeeld; hij liet de teugels nimmer vieren en hield zijn land in volstrekt isolement. Toch schijnen er sinds de jaren vijftig zo'n veertien films per jaar gemaakt te zijn in Albanië, en ondanks het monopolie van de staatsstudio gaat het daarbij om meer dan propaganda. Te zien zijn die oudere films niet, want afgezien van de Ismail Kadare-verfilming Broken April uit 1985 worden tijdens de Albanese Filmdagen films vanaf 1994 vertoond. Bij de selectie van de acht speelfilms en negen documentaires is gelet op de wijze waarop filmmakers verslag doen van maatschappelijke veranderingen.

Het zijn echter vooral buitenlanders die de verwarring van post-communistisch Albanië tot onderwerp kiezen. Het bekendste voorbeeld is Lamerica (1994) van Gianni Amelio, die een Italiaanse zakenman liet versmelten met berooid en leeglopend Albanië en daarmee volgens Albanese media een veel te negatief beeld schetste. Documentaires uit eigen land registreren bij voorkeur het dagelijks leven in hedendaags Tirana, veel speelfilms kijken terug naar de dictatuur. Kutjim Cashku schetst in Colonel Bunker een aanvankelijk luchtig, geleidelijk grimmiger wordend portret van de kolonel die in 1974 door Enver Hoxha werd belast met de bouw van duizenden mini-bunkers. Werkelijkheid komt de film te hulp: een mooiere metafoor voor een land in de greep van paranoia laat zich niet verzinnen.

Andere filmmakers richten zich juist op nationale tradities die het communisme en de moderne tijd hebben overleefd. In drie films is sprake van bloedwraak, als onderdeel van de Kanun, eeuwenoude morele voorschriften die door bergbewoners in het noorden nog steeds worden gevolgd. Albana Shala, medewerker van Press Now, voorspelt in de programmakrant met enig cynisme dat folklore commercieel aantrekkelijk zal worden voor filmmakers: het Westen is geïnteresseerd in ,,een reservaat waar maatschappelijke fenomenen zijn blijven bestaan die elders in de wereld tot het verleden behoren''.

De huidige situatie van de Albanese cinema is beroerd. Net als in Rusland heeft de overheid elk belang in de filmproductie opgegeven, alleen door buitenlandse steun kan er iets worden gemaakt. Distributie- en vertoningsmogelijkheden ontbreken volledig. Wat het laatste betreft moet de Albanese film het hebben van buitenlandse festivals met Balkan-secties, zoals de festivals van Thessaloniki en Sarajevo. Of van Albanese Filmdagen in Amsterdam en Rotterdam.

Albanese Filmdagen: 15 t/m 18 april in Lantaren/Venster, Rotterdam (010) 277 22 77 en 19 t/m 21 april in Cinema De Balie, Amsterdam (020) 553 51 51.