Zweedse coalitie onder druk

Het aftreden van de Zweedse minister van Financiën duidt op onenigheid in de coalitie van premier Persson.

,,Business as usual'', zei de Zweedse premier Göran Persson maandag op de zoetzure toon van een politicus die zojuist een forse nederlaag te verwerken kreeg. Tegen de middag was Erik Åsbrink, zijn minister van Financiën, onverwachts afgetreden en binnen een paar uur wees Persson Bosse Ringholm als diens opvolger aan. Het regeringsbrandje was geblust, zo wilde de premier iedereen doen geloven.

Maar dat is slechts schijn. Carl Bildt, leider van de conservatieven, constateerde maandag dat de regering wankelde en hij vond dat het tijd was voor vervroegde verkiezingen. Natuurlijk heeft Bildt als leider van de grootste oppositiepartij baat bij het creëren van een crisisstemming. Toch heeft hij niet helemaal ongelijk.

Het vertrek van Åsbrink, uitgerekend twee dagen voordat de regering vandaag haar voorjaarsbegroting moet indienen, legt meer bloot dan alleen een conflict over de besteding van overheidsgeld. Voor Åsbrink was het verschil van inzicht wel de aanleiding. Afgelopen weekeinde liet de eigenzinnige Persson in een vraaggesprek op de televisie weten dat een overschot op de overheidsbegroting, dat aanzienlijk hoger lijkt uit te vallen dan gepland, mooi gebruikt kan worden om de belasting te verlagen.

De premier had daarover niet overlegd met zijn minister van Financiën, die dan ook razend was. Åsbrink zag in Perssons woorden een gebrek aan vertrouwen in voor zijn beleid. En dat was zeker niet de eerste keer. Er ging een langdurig conflict over bezuinigingen op defensie aan vooraf.

Åsbrink vertrouwt de cijfers niet die Persson, zich baserend op een onafhankelijk economische onderzoeksinstituut, in het vraaggesprek gebruikte – Åsbrink gaat nog steeds uit van een begrotingsoverschot van ongeveer 1 procent, en niet van 3 procent zoals de premier. Maar zelfs als de cijfers juist zouden zijn, zag hij geen aanleiding om de belasting te verlagen. Eerst moest, in zijn ogen, wat worden gedaan aan de immense staatsschuld, waarmee de Zweedse welvaartsstaat zichzelf na de Tweede wereldoorlog heeft opgezadeld. Åsbrink wist zich daarbij gesteund door de werkgevers.

Toch kan van Persson niet gezegd worden dat hij als een ouderwetse socialist de staatsschuld van ondergeschikt belang acht. Hij was tenslotte de man die zelf als minister van Financiën in het begin van de jaren negentig een drastisch begin maakte met de sanering van de Zweedse economie. Toen Persson in 1996 het premierschap overnam van de tussentijds vertrokken Ingvar Carlsson, liet hij aan opvolger Åsbrink een gezonde economie na.

Maar sinds de verkiezingen van vorig jaar, die de sociaal-democraten danig hebben verzwakt, voelt Persson de hete adem van de Groenen en de Linkse Partij, die veel gemakkelijker geld uitgeven dan Persson lief is, in zijn nek. Beide partijen heeft hij nodig voor het voortbestaan van zijn minderheidsregering.

Volgens Gudrun Schyman, de succesvolle leider van de Linkse Partij, moet de regering het conflict niet afschuiven op haar partij. ,,Er zijn al langer verschillen van mening tussen de ministeries'', aldus Schyman. Binnen de regering zelf werd eindeloos onderhandeld, voordat gesprekken met de Groenen en de Linkse Partij zelfs maar waren begonnen.

Het vertrek van Åsbrink betekent waarschijnlijk eerder een overwinning voor het kamp van minister van Economische Zaken Björn Rosengren, die al langer pleit voor een verlaging van de inkomstenbelasting (die nergens in de wereld zo hoog zijn als in Zweden) om de economie te stimuleren. Met de benoeming van de vrijwel onbekende Ringholm als schatkistbewaarder lijkt dit interne conflict voorlopig beslecht.

Deuk in vertrouwen: pagina 19