Weer een typische Bausch

Het decor heeft niets met de voorstelling te maken. Geen moment krijgt de enorme rotsformatie achter op het toneel, met twee scheefgezakte palmbomen op de top, enige betekenis. De tropen zetten zich hooguit voort in de rafelige filmbeelden van kleurige bloemen, die zo nu en dan op de toneelopening worden geprojecteerd. Daar doorheen dansen de dansers. Solo, groepsgewijs, soms nauwelijks zichtbaar, en op luide volksmuziek uit alle windstreken. De bewegingen zijn expressief met verstilde momenten, als de handen tegen elkaar worden gezet en als vissen zijwaarts zwemmen.

De dans, deze dans wordt een motief; Pina Bausch weet hoe zij een voorstelling moet maken en zij heeft dat haar publiek als het ware óók geleerd. Het weet zo langzamerhand hoe het kijken moet naar het ogenschijnlijk onsamenhangende dansante theatergenre dat Bausch op haar eentje heeft uitgevonden en dat vervolgens door theatermakers overal ter wereld is omhelsd en gekopieerd. Voorbij zijn de dagen, van eind jaren zeventig, dat Ein stück von Pina Bausch – zoals al haar premières onveranderlijk heten – bekeken wordt door glazige ogen die gerekend hadden op pure dans uit de Duits-expressionistische school. De leerlinge van Kurt Jooss ging altijd al haar eigen weg met voorstellingen als Iphigenie auf Tauris (nog steeds op het repertoire van haar Tanztheater Wuppertal) en het beklemmende Café Müller, en later deed ze dat nog nadrukkelijker. Haar voor theater Carré gemaakte stuk aan het begin van de jaren tachtig was een happening, waarvan het Holland Festival dat het geprogrammeerd had, nu alleen nog maar dromen kan.

Blikken, ook van het grote publiek, veranderen, maar de voorstellingen van Bausch doen dat niet meer. Ik weet dus precies hoe gewiekst zij de overgangen tussen de scènes maakt (door de voorgaande te laten doodbloeden, terwijl de volgende alle aandacht opeist) en dat een snelle herhaling van de spelletjes die haar dansers met elkaar (lees: de mannen met de vrouwen) spelen, het slot van de voorstelling inluidt. Het fenomeen Bausch, belichaming van een belangrijke periode in de theatergeschiedenis, vergeef je dat graag. Wat mij betreft heeft ze alle krediet van de wereld.

Goed is het nieuwe stuk dus nog niet, maar dat wordt het natuurlijk wel weer. De veelbelovende aanzetten zijn er, wat met dansers als de hare zelfs in dit stadium ook niet anders kan. Daar zijn ze weer, die fantastische vrouwen in hun gebloemde zomerjurken van de Albert Cuyp-markt, die alnaargelang hun pet staat de vamp of het pruilende meisje uithangen. Beurtelings zelfbewust en onderdanig roken ze achteloos sigaretten, laten ze zich als een ledenpop rondsjouwen of bedelen ze om een kus om, als ze die eindelijk krijgen, hun klauwen uit te slaan en het object van hun begeerte de stuipen op het lijf te jagen. Zelfs naar de mannen, op toneel altijd minder interessant dan vrouwen, kijk je bij Bausch. Ze willen een aai over hun bol en manoeuvreren zich net zo lang onder de hand van een koel hooggehakt wezen tot haar onverschillige vingers hun kruin raken. Althans, als dat monstre sacré niet net samen met haar seksegenoten op het voortoneel olijke blikken in de zaal staat te werpen en onderwijl groene banaantjes geel verft.

Waar alle spelletjes altijd op neer komen bij Bausch - ja ook de scène waarin een vrouw emmer water na emmer water in het gezicht geworpen krijgt - is: hou van mij! Ik wil liefde! Voorheen was die eis verpakt in strijd, met de jaren is de toon milder en zachter geworden. Aber das Geliebtwerdenwollen ist immer da. Nou, dat willen wij ook, dus zeuren dat de voorstellingen van Bausch zo op elkaar lijken en door de brede waardering soms alleen nog maar varieté lijken, doen we niet. Het zou hetzelfde zijn Rembrandt verwijten altijd alleen maar Rembrandts gemaakt te hebben.

Voorstelling: Ein Stück von Pina Bausch door Tanztheater Wuppertal. Enscenering/choreografie: Pina Bausch. Decor: Peter Pabst. Gezien: 10/4, Opernhaus Wuppertal. Herh. aldaar 14,16,17/4. Inl. 00.49.202.569.44.44