Vrouwe Justitia zonder blinddoek

Bij de officiële opening van de tentoonstelling Weegschaal en Zwaard ontdeed prins Willem-Alexander een beeld van Vrouwe Justitia olijk van haar blinddoek. De voorbode van een constitutionele crisis? Vrouwe Justitia is in de beeldvorming immers onafscheidelijk van haar blinddoek, het teken van rechterlijke onpartijdigheid en concentratie.

Op oude afbeeldingen is zij hem echter kwijt, leert de tentoonstelling die opent met een zaal verbeeldingen van de vrouwe van het recht. Bij enig nadenken is de afwezigheid van de blinddoek niet zo vreemd. De ware justitie kan niet oplettend genoeg zijn. Zij wordt van alle kanten belaagd. Bij de antieken gold de blinddoek juist als een symbool van kortzichtigheid.

Van àlle kanten belaagd: de machthebbers zijn dus gewaarschuwd, is, zo men wil, de onderliggende boodschap van deze expositie. Deze is een initiatief van het Openbaar Ministerie en tevens bedoeld als sluitstuk van de viering van 200 jaar ministerie van Justitie. Beide instanties dateren overigens van ná de behandelde periode, die van het oud-vaderlands recht: de tijd van schout en schepenen, van vierschaar en pijnbank.

Het was een tijd van sterke symbolen, zoals `de roede van de justitie' die naast de rechter stond of de zware vuist die als strafexercitie moest worden rondgezeuld door de onverlaat die het waagde zijn hand of stem te heffen tegen een dienaar van de justitie. De tentoongestelde `proceszakken' van jute en linnen, waarin advocaten toendertijd hun stukken bijeenhielden, keren terug op een mooi schilderijtje van een oudere advocaat door Adriaan van Ostade uit het museum Boijmans. Hij is op zijn retour, er hangt nauwelijks een zak aan de wand. Op een gravure van een collega hangt de wal vol. De titel is dan ook `d'Onversadellike Pleitzak'.

Er zijn uiteraard enkele martelwerktuigen uit de Gevangenpoort aanwezig en een afbeelding van de eerste executie met de guillotine in Amsterdam tijdens de Franse tijd. Er is ook een ontroerend tekeningetje van een vrouw aan de schandpaal uit een procesdossier van het Brabants hooggerecht in Maastricht (1656). Maar centraal in de expositie staat toch niet de onverlaat die het recht schendt maar de magistraat die het toepast. Dat gebeurde toen nog niet in de paleizen van justitie door professionele rechters maar in de stadhuizen.

Waarschuwende afbeeldingen aan het adres van de magistraten waren met name in de Gouden Eeuw een belangrijk genre, zo bleek al op de tentoonstelling God en de Goden, Verhalen uit de bijbelse en klassieke oudheid door Rembrandt en zijn tijdgenoten, in het Rijksmuseum in 1981. De witmarmeren vierschaar van Quellijn in het voormalig stadhuis van Amsterdam op de Dam is een hoogtepunt. Het is op de Haagse tentoonstelling aanwezig in de vorm van een tekening van Humbert de Superville (1770-1849). De achterwand behandelt drie klassieke thema's, die heel opvallend alle drie betrekking hebben op kinderen. Het oordeel van Salomo wordt geflankeerd door Zaleukos en Lucius Junius Brutus.

De een was een Griekse koning die het uitsteken van beide ogen had gesteld op overspel. Toen zijn zoon als eerste daarvoor werd veroordeeld zei hij: ,,Zo is mijn wet, die kan ik niet breken. Maar omdat mijn zoon's ogen mijn ogen zijn, steek daarom mijn rechteroog uit en mijn zoon's linkeroog, opdat aan de wet is voldaan'. Brutus was een oude Romein die een samenzwering ontdekte waarbij zijn twee zonen waren betrokken. Hij liet beiden onthoofden. In beide gevallen is de boodschap: rechtdoen zonder aanziens des persoons. Maar wel met een verschil.

De hoofdmoot van de afdeling gerechtsverhalen is puur Hollands, het oordeel van graaf Willem de Goede. Dit betreft een baljuw (middeleeuwse schout) die een boer had beroofd van zijn koe. Deze klaagde bij de graaf. Hoewel deze ziek te bed lag, onderzocht hij de zaak, ontbood de baljuw aan zijn sponde en liet hem ter plekke onthoofden. Behalve panelen voor de schepenkamers van de stadhuizen leverde dit ook allerlei prenten en tekeningen op. Zo ziet men in een schilderij uit Naarden (1619) het tafeltje met reukwaren terugkeren uit de populaire Dolendoprent (1613) en het doorkijkje uit het schilderij in Alkmaar (1618).

Één verbeelding springt er visueel uit, de versie van Nicolaas van Galen (werkzaam 1647-1683) in het Overijsselse Hasselt. Hij was een lid van de plaatselijke adel en dit is het enige schilderij dat van hem bekend is. De toeschrijving is dan ook omstreden maar de kwaliteit niet. Het clair-obscuur doet denken aan de Carravagisten en dan is er het dramatische effect van de hooghartige graaf die terugwijkt voor het zwaard van de beul waardoor op de achtergrond het wapen van Hasselt te zien is.

Daarna was het ook afgelopen, noteert A. Blankert in de Amsterdamse catalogus van 1981. De graaf was symbool van een hogere macht in het land, en daaraan bestond geen behoefte meer toen het eerste stadhouderloze tijdperk aanbrak en de burgemeesters hun eigen rechtscolleges aanstelden. Maar de moraal van het oude gerechtsverhaal blijft. ,,There but for the grace of God goes John Brown', zoals de spreekwoordelijke Engelse rechter Brown zei toen hij de verdachte die hij ter dood had veroordeeld, zag vertrekken.

Tentoonstelling: Weegschaal & Zwaard, De verbeelding van het recht en de gerechtigheid in Nederland, Haags Historisch Museum t/m 13/6. Open: di t/m vr 11.00-17.00 u, za en zo 12.00-17.00 u. Catalogus f. 47,50. Internet: www.weegschaal.nl

Correctie:

In het artikel Vrouwe Justitia zonder blinddoek (in de krant van woensdag

14 april, pagina 8) stond in het spreekwoord ,,There but for the grace of

God goes John Brown'' een verkeerde naam. Het moet zijn de Britse rechter

John Bradford (1510?-1555). De vertaling luidt: Het is slechts te danken aan

Gods genade dat hij (de veroordeelde) naar het schavot gaat en niet (zijn

rechter) John Bradford.