Vader gaat dood

Het is mis met vader. Hij ligt in bed, pet op zijn neus. Hij zingt een vies oud lied. Gijs had een zak, Riek had een doos.

Wat gebeurt er met je, man? vraagt moeder. Vader laat een boer. Hij zegt: geef die boer een stoel. Hij lacht daar hard om.

Moeder is bezorgd. Ze laat Ot en To, Sien en Lien roepen. Die avond zijn ze er allemaal.

Gaat u dood, vader? snikt Sien.

Ik ga naar een huis om de hoek van de zon, zegt vader. Daar woon ik in een wolk. Zo is het goed.

Maar Sien, zegt vader, toch ben jij een dijk.

Stil, zegt moeder. Wees stil.

Vader zingt weer. Gijs had een zak. Riek had een doos. Sien had een pot.

Dan is het tijd.

Dag Ot en Sien, zegt vader. Dag moeder. Dag Tootje. Huil maar veel.

En weg is vader.