Telefooncel verliest strijd van zaktelefoon

KPN Telecom gaat voor 1 juli van het volgend jaar 3.400 openbare telefoons, meest in cellen, weghalen. Ze zijn mede door toenemend gebruik van de zaktelefoon niet rendabel. De telefooncel kan een nieuw leven tegemoet gaan als elektronische informatiezuil over openbaar vervoer of toeristische attracties.

Volgens KPN blijven na de afslanking 18.000 cellen over. Bij dat cijfer rekent het bedrijf ook de publieke telefoons op particuliere grond, zoals in stadhuizen, theaters en musea. Het aantal cellen op openbare grond daalt door de ingreep tot iets meer dan tienduizend.

Eerder dit jaar heeft KPN al 770 cellen geschrapt, nadat concurrent Telfort een contract met de Nederlandse Spoorwegen afsloot voor de plaatsing van cellen op stations. Volgens Telfort-directeur K. van der Meulen spreekt zijn bedrijf met gemeenten over de plaatsing van telefooncellen naast of in plaats van die van KPN. Ook luchthavens en bushaltes zijn voor Telfort interessant. Van der Meulen voorziet een nieuwe bestemming voor telefooncellen als informatiezuil voor bijvoorbeeld Internetgebruik of reisinformatie.

In vergelijking met andere industriële landen beschikt Nederland over weinig telefooncellen. Dit is onder meer een gevolg van de hoge bevolkingsdichtheid. KPN Telecom moet wettelijk ten minste één telefooncel op elke 5.000 Nederlanders ter beschikking stellen. Het bedrijf belooft dat elke woonkern minimaal één telefooncel behoudt.

De reductie in openbare telefoons kost KPN 140 banen bij onderhoud en administratie. De vakbond AbvaKabo vreest dat deze reorganisatie niet zonder gedwongen ontslagen zal kunnen verlopen. KPN wil niet zeggen hoeveel de reorganisatie kost.

Volgens het PTT Museum in Den Haag stonden de eerste telefooncellen, die vanaf 1884 geplaatst werden, niet aan de openbare weg, maar in `beschermde' ruimten van stations of telefoonkantoren. Voor gesprekken moest met de beheerder van een telefooncel worden afgerekend.

De eerste cel met munten werd op 31 december 1896 geplaatst in het Centraal Station van Amsterdam. Interlokaal bellen via een telefooncel kan sinds 1916. De telefoniste gaf dan aan hoeveel munten de gebruiker moest inwerpen om het gesprek te bekostigen. Of hij dat ook werkelijk deed werd gecontroleerd door te luisteren naar het geluid van de vallende muntjes. In 1986 werden de eerste cellen bruikbaar voor telefoonkaarten.