Smurfen-Nederlands

Op voorstel van minister Van Boxtel gaat de overheid in 25 grote steden cursussen Nederlands (en opvoeding!) opzetten voor allochtonen. Deelname is vrijwillig. Het idee is om ouders van schoolgaande kinderen in korte tijd een zodanige beheersing van de Nederlandse taal bij te brengen dat zij hun kinderen kunnen ondersteunen `door thuis ook Nederlands te spreken'. Tot 2002 stelt het kabinet hier vijftig miljoen gulden voor beschikbaar, een bedrag dat los staat van de kleine 400 miljoen die de overheid jaarlijks spendeert aan Nederlandse les voor nieuwkomers.

Diametraal hier tegenover staat de taalwetenschapper René Appel (zoals geïnterviewd in Het Parool van 9 april), die stelt dat allochtonen zowel hun eigen taal als het Nederlands grondig moeten leren, omdat een goede kennis van de moedertaal een uitwaaierend effect heeft op de latere beheersing van het Nederlands. Turkse kinderen die als kleuter intensief Turkse les hadden gekregen, spraken later beter Nederlands dan Turkse kinderen die het zonder Turkse lessen hadden moeten doen.

We zien hier twee elkaar praktisch uitsluitende visies, die met elkaar gemeen hebben dat ze beide het taalachterstandprobleem willen wegwerken en, lijkt me, daar geen van beide in zullen slagen.

Eerst maar de politiek. Van Boxtel denkt dat een intensieve cursus voldoende is om allochtone volwassenen thuis naar het Nederlands te doen omzwaaien. Dit getuigt van peilloos onbegrip voor de functie van een moedertaal. Niemand gaat in de beslotenheid van z'n eigen huis met partner en kinderen op een tastende, licht kreupele manier zitten converseren, terwijl er al een perfect communicatiemiddel voorhanden is.

Natuurlijk moeten immigranten Nederlands leren. Maar het doel daarvan is eigenbaat: dat ze een baan kunnen vinden, dat ze met autoriteiten kunnen praten en hun weg in de cultuur kunnen vinden. De overheid moet niet willen ingrijpen in hoe mensen zich thuis met elkaar verstaan. Dat is al te bevoogdend en bovendien een omweg, als het eigenlijk om de kinderen gaat. Het is belangrijker dat de kinderen goed Nederlands leren dan de ouders.

Ook de wetenschap bouwt, in dit geval bij monde van René Appel, een omweg in en wel de omweg van de tweetaligheid. Hoe beter een kind de moedertaal beheerst, hoe beter het een tweede (of derde) taal leert, want van kinderen is bekend dat ze moeiteloos nieuwe talen leren. Dat is een ervaringsfeit, maar het gebeurt alleen door het mechanisme van de onderdompeling. Zet een Nederlandse zesjarige drie maanden op een school in Japan en hij spreekt vloeiend Japans. Haal hem er weer af en twee jaar later is hij 90 procent vergeten. Alsof je een jas aan- en uittrekt. Dit snelle leren en weer vergeten laat zien dat echte tweetaligheid niet bestaat. Als een Turks kind opgroeit in een verder grotendeels Nederlandse omgeving, zal op den duur zijn eerste taal Nederlands worden. Hij zal thuis Turks blijven spreken, maar een gezinstaal heeft een veel beperktere scope, waarin geleidelijk ook allerlei vocabulaire van buiten insluipt, omdat het kind de Nederlandse termen voor `overblijven', `strafwerk' of `aardrijkskunde' eerder tegenkomt dan de Turkse equivalenten.

Het probleem van de huidige kinderen van immigranten is een gebrek aan onderdompeling in het Nederlands – de klacht van rector Sjamaar, wiens oplossing (spreidingsbeleid voor scholen) misschien wel ideaal maar in de verste verte niet realiseerbaar is. Het versterken van de moedertaal mag dan door de wetenschap worden aanbevolen, de kosten van deze methode zullen alleen al door de hoeveelheid verschillende moedertalen (niet alleen Turks, maar ook tal van Marokkaanse dialecten om maar te zwijgen van tientallen asielzoekerstalen) een veelvoud bedragen van de 50 miljoen van Van Boxtel.

Overheidsinspanning zou zich niet op de persoonlijke achtergronden van de kinderen moeten richten (die zijn toch te divers), maar op wat ze gemeenschappelijk hebben: de school. Juist het feit dat er sprake is van veel nationaliteiten moet in dit verband niet als nadeel maar als voordeel worden beschouwd. Een klas met 80 procent Turkse kinderen blijft onderling Turks praten. Hen leer je minder makkelijk Nederlands dan een klas met Turkse, Marokkaanse, Ethiopische, Poolse en nog anderstalige kinderen. Met tien verschillende moedertalen in een basisschoolklasje bestaat een schreeuwende behoefte aan een voertaal, al was het maar om over Sesamstraat, voetbal en barbies te kunnen praten. Die taal is Nederlands, maar niet het ABN. Smurfen-Nederlands wordt het wel genoemd, een soort Nederlands pidgin met veel Surinaamse en Engelse invloeden, waarin allochtone kinderen en jongeren met elkaar spreken. Autochtone jongeren met allochtone vrienden beheersen het vaak ook.

Sommige mensen zien dit smurfen-Nederlands met lede ogen aan, omdat ze het een minderwaardige straattaal vinden, waar je in de maatschappij toch niks aan hebt. Maar het lijkt me juist fantastisch, als er een dialect ontstaat, waarmee uiteenlopende groepen zich onderling verstaanbaar kunnen maken, een dialect bovendien dat in grote lijnen op het Nederlands is gebaseerd. De stap van Neder-Saksisch naar Nederlands is minder groot dan de stap van Frans naar Nederlands. Kinderen die smurfen-Nederlands spreken, leren makkelijker Nederlands dan kinderen die alleen Turks spreken.

Hoe diverser een klas is samengesteld en hoe meer de kinderen aangemoedigd worden met kinderen buiten hun specifieke taalenclave samen te werken, hoe eerder zich de een of andere variant op het smurfen-Nederlands zal ontwikkelen. Zodra deze situatie gevestigd is, ook een vorm van onderdompeling, kan er met volle kracht en extra geldmiddelen gewerkt worden aan het leren van het standaard-Nederlands, net zoals in het oosten en het zuiden van het land de kinderen onderling dialect (tegenwoordig streektaal) spreken en op school de standaardtaal leren. Smurfen-Nederlands is een betere springplank naar beheersing van het Nederlands dan onderwijs in de moedertaal of cursussen voor ouders.