Rothko moet in Nederland blijven

Er dreigt een lelijk en beschamend gat te ontstaan in het Nederlands museumlandschap als Museum Boijmans van Beuningen het schilderij Gray, Orange on Maroon verkoopt, vindt Alied Ottevanger.

Het schilderij Gray, Orange on Maroon (No.8) (1960) van Mark Rothko maakt sinds 1970 deel uit van de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen te Rotterdam. Het dreigt thans te worden verkocht. Wanneer dit voornemen niet wordt verijdeld, zal Nederland een belangrijk, uniek en invloedrijk schilderij kwijtraken. Een verlies dat definitief is, want het lijkt uitgesloten dat in de naaste toekomst in een van de Nederlandse musea de miljoenen beschikbaar zullen zijn om een ander, vergelijkbaar werk van Rothko terug te kopen.

In Nederland is Mark Rothko (1903-1970) slechts met twee werken vertegenwoordigd. Behalve het vrij forse doek in Rotterdam bezit het Stedelijk Museum in Amsterdam een kleiner en later geschilderd doek, Untitled (Umber, Blue, Umber, Brown) (1962). Dit schilderij is in 1986 aan het Stedelijk Museum geschonken.

Rothko behoort tot de eerste generatie na-oorlogse Amerikaanse kunstenaars die met hun abstract-expressionistische werken de Westerse kunst in de tweede helft van de twintigste eeuw vergaand heeft bepaald. Met Willem de Kooning, Jackson Pollock, Barnett Newman, Franz Kline – om er enkelen te noemen – gaf Rothko gestalte aan een schilderkunst waarin emoties, vaak psychisch en religieus geladen, zijn verbeeld in grote, steeds abstracter wordende schilderijen. In deze schilderkunst, die zich gaandeweg onafhankelijk van de kunst in Europa ontwikkelde, zijn twee richtingen te onderscheiden. Een spontane richting wordt gevormd door werken waarin een lineaire of anderszins duidelijke schilderstreek is te herkennen (de action paintings van Pollock, het werk van de Kooning en Kline). Daarnaast vallen de schilderijen van Rothko en Newman op door hun eenvoudige composities waarin enorme kleurvlakken en velden bepalend zijn. Een kenmerk dat er destijds toe geleid heeft deze schilders aan te duiden als colourfield painters.

De zuigende werking die zowel het monumentale werk van Newman als dat van Rothko op de toeschouwer uitoefent, is – hoewel zij beiden hun schilderijen zeer zorgvuldig, laag voor laag opbouwen – niet louter formeel bedoeld. Bij Rothko lijkt de toeschouwer in het schilderij te worden getrokken – in een landschap of een poort waardoor dit leven te verlaten is, om de kunstenaar te parafraseren. De vraag of je, staande op de drempel, door die opening heen zou moeten gaan om het absolute te ontmoeten (om de totale extase, of de diepste tragedie te ervaren), of er, als een skepticus, voor zou blijven staan twijfelen, liet Rothko aan de beschouwer. Maar het waren wel dit soort vragen die de toeschouwer van zijn werk moest (en moet) overdenken.

Beide werken van Rothko die zich in de `Collectie Nederland' bevinden, zijn goede voorbeelden van zijn beroemde dark paintings. Dat in Rothko's oeuvre Gray, Orange on Maroon (No.8) een belangrijke plaats inneemt blijkt uit het feit dat de kunstenaar zelf dit werk heeft geselecteerd voor zijn grote overzichtstentoonstelling die in 1961 plaatsvond in het Museum of Modern Art in New York en later in het Stedelijk Museum in Amsterdam.

Om nu Rothko's schilderij te bestempelen als een `zwerfkei' een `eenling' in de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen (het argument van directeur Chris Dercon om het schilderij te verkopen) getuigt van weinig inzicht. Alleen al met betrekking tot de collectie Boijmans Van Beuningen waar het in 1970 is aangekocht door conservator Renilde Hammacher-Van den Brande (daarbij geheel gesteund door directeur Ebbinge Wubben die naderhand met trots over `onze grote Rothko' sprak) kan het in tal van combinaties worden gepresenteerd. Dat dit niet in strikt chronologische of stilistische kaders hoeft te gebeuren hebben we inmiddels wel begrepen, onder anderen via Harald Szeemans tentoonstelling `A-historische klanken', die nota bene in 1988 in Museum Boijmans Van Beuningen te zien was en waarin onder anderen Rothko's Gray, Orange on Maroon (No.8) gepresenteerd werd.

Ook in relatie tot de `Collectie Nederland' kan het werk overigens goed functioneren; als een prachtige aanvulling, bijvoorbeeld op de collectie Amerikaanse kunst van het Amsterdams Stedelijk Museum en evenzeer in relatie tot de onlangs verrijkte Mondriaancollectie van het Haags Gemeentemuseum. De doorwerking van het werk van Rothko en zijn geestverwanten op tendenzen die zich nadien hebben voorgedaan kan niet gemakkelijk worden overschat, ze is enorm. Zo heeft zijn (en hun) denken over de essentie van de schilderkunst, schaal en maat in de schilderkunst de minimal art en de fundamentele schilderkunst vergaand beïnvloed, stromingen die in geen enkel Nederlands museum voor moderne kunst ontbreken.

Inmiddels blijkt het werk van Rothko in de loop der jaren in Nederland meer en meer te worden gewaardeerd. Op zijn eenmanstentoonstelling in 1961 reageerde de pers nog lauw en stelde flauwe vragen of het bij diens werk niet zou gaan om `decoratie' of een vorm van `huisschilderkunst', waarop overigens Edgar Fernhout het belang van Rothko's werk verdedigde.

Nu zijn de kritieken, naar aanleiding van de grote Rothko-tentoonstelling die nog tot halverwege april 1999 in Parijs te zien is, ronduit lovend. De aandacht is daarbij duidelijk verschoven van de vormaspecten naar de inhoud van het werk. Zo blijkt Rothko mettertijd zeer solide ingebed in de Nederlandse culturele context. Een context waarin een lelijk en beschamend gat zou ontstaan wanneer zijn schilderij Gray, Orange on Maroon (No.8) het land verlaten zou.

Dr. Alied Ottevanger is conservator moderne kunst bij het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag en lid van de commissie Wet Behoud Cultuurbezit.