Risicomaatschappij vereist een betrokken overheid

De overheid moet beter voorbereid zijn op de gevaren van de moderne technologische cultuur, vinden Maarten Hajer en Michiel Schwartz. Terughoudendheid bij de productie van nieuwe technologische hoogstandjes kan drama's zoals de Legionella-epidemie voorkomen.

Zelfs vakantie en vrije tijd blijken de afgelopen weken risicovolle aangelegenheden te zijn. Meer dan twintig doden onder de bezoekers van een florabeurs, tientallen doden bij lawines in de Alpen, fatale gevolgen voor reizigers in de Mont Blanc-tunnel. Bij deze incidenten rijst al gauw de vraag wie verantwoordelijk is voor deze calamiteiten. Faalt de minister van Volksgezondheid wanneer plotseling twintig mensen bezwijken aan een opgelopen infectie? Minister Borst reageerde nuchter en pertinent: ,,Laat men zich wel realiseren dat het leven gevaarlijk blijft, ook in deze moderne samenleving.'' Met andere woorden, de ongelukken zijn tragisch maar onvermijdelijk. Maar onttrekt de overheid zich hier niet aan haar verantwoordelijkheid?

Of het nu gaat om neergestorte vliegtuigen, gekkekoeienziekte, salmonella in de kip of gelekte radioactieve straling, keer op keer lijken we te worden verrast door de risico's van de moderne technologische cultuur. En iedere keer wordt de overheid achteraf in het defensief gedreven. De mogelijkheden voor de burger om zich zelfstandig aan deze gevaren te onttrekken zijn nu eenmaal zeer gering. De burger moet meer dan ooit op anderen en op onbekende technologieën en expertsystemen vertrouwen in haar doen en laten. Vandaar klinkt toch keer op keer de roep van de maatschappij richting overheid om de gevaren beheersbaar te maken.

Het conventionele antwoord van de overheid op potentieel gevaarlijke ontwikkelingen ligt in het stellen van normen ten aanzien van wat `veilig' is en wat niet. Maar die strategie is inmiddels wel gedateerd in een `risicomaatschappij' waar risico's en de daarmee verbonden gevaren onderdeel zijn geworden van de normale gang van zaken – of het nu gaat om bedrijfsvoering, milieuhygiëne, het verkeer of toerisme. Het hele technocratische vocabulaire waarmee is geprobeerd om milieugevaren te beheersen – grenswaarden, emissieplafonds, MAC-waarden – is getekend door de gedachte van de sturende en alwetende overheid. Ook bij de Legionella-epidemie is de reactie van de overheid te voorspellen. De overheid zal het gebruik van waterverstuivers op manifestaties aan strenge normen binden en er komt een bubbelbadenverordening om – openbare – bubbelbaden veiliger te maken. Het is natuurlijk geenszins onzinnig beleid. Het punt is alleen dat de overheid hiermee onbedoeld de fundamentele aard van nieuwe issues van de `risicomaatschappij' dreigt te ontkennen.

Wat is het antwoord op de nieuwe structurele dilemma's van de risicosamenleving? Allereerst moeten we onze maatschappelijke omgang met gevaar en onzekerheid beter begrijpen. Daartoe zouden we `gevaren' en `risico's' preciezer van elkaar moeten onderscheiden. Gevaren betreffen zaken die je niet in de hand hebt: je loopt een gevaar. Maar risico's veronderstellen altijd een eigen beslissing: je neemt een risico. In onze maatschappij wordt nu steeds meer kennis ontwikkeld en worden steeds weer nieuwe technologieën uitgevonden die `risico's' maken van wat eerder behoorde tot de categorie `gevaren'.

Over natuurlijke gevaren zal in de politiek geen kabinet vallen, maar voor door maatschappelijke actoren en technologieën gegenereerde risico's valt dit niet uit te sluiten. Aan de ene kant wil de burger zelf bepalen welke risico's hij neemt. Dat vertaalt zich vaak in de eis dat nieuwe technologieën beschikbaar worden gesteld om gevaren tot risico's te maken. Maar ook in het alledaagse leven worden risico's tot politiek thema.

Moderne burgers staan afwijzend tegenover gevaren die hun worden opgedrongen. In een risico-bewuste samenleving wordt het veroorzaken van gevaren door anderen steeds minder geaccepteerd. Aan de andere kant eisen bedrijven dat nieuwe technologieën snel kunnen worden ingevoerd alhoewel de mogelijke risico's nog helemaal niet duidelijk zijn. En hoe moet een overheid reageren op `nieuwe' risico's die zich nauwelijks laten calculeren? De politiek laat toe dat de wereld wordt gebruikt als laboratorium. Of en wanneer dat aanvaardbaar is, is een fundamentele vraag, waar de politiek in wezen nog nauwelijks een antwoord op heeft.

Wanneer we accepteren dat we leven in een technologische cultuur, zal de politiek veel stringenter moeten nadenken over nieuwe risico's, nieuwe maatschappelijke conflicten en nieuwe sociale ongelijkheid die uit nieuwe technologieën voortkomen. De vrijheden van automobilisten ten opzichte van andere gebruikers van de publieke ruimte, het doorvliegen met slecht onderhouden vliegtuigen, de toepassing van genetisch gemanipuleerde producten in voedsel zonder uitgebreid onderzoek – het zijn ontwikkelingen waarvan de overheid en de politiek zich niet afzijdig mogen houden. Het kiezen voor een bewuste omgang met risico's vraagt om een stellingname ten opzichte van gevarenveroorzakers en terughoudendheid bij de productie van nieuwe gevaren.

Ligt alles daarmee dan weer op het bordje van de overheid? Geenszins. De overheid kan niet alles weten en de burger zal moeten accepteren dat ook de overheid handelt in onzekerheid. De overheid kan wel nadrukkelijker andere maatschappelijke partijen mobiliseren zodat deze medeverantwoordelijk worden gemaakt voor het beheersen van risico's en gevaren. Het aansprakelijkheidsrecht zou kunnen worden aangescherpt door producenten van nieuwe risico's de bewijslast te geven om aan te tonen dat bepaalde producten inderdaad slechts beperkte gevaren met zich meebrengen. Door een scherper aansprakelijkheidsrecht mobiliseert de overheid maatschappelijke tegenkrachten. Stel een aansprakelijkheidsverzekering verplicht en je creëert een markt voor verzekeringsmaatschappijen die zelf op hun beurt onderzoek naar eventuele gevaren zullen laten verrichten.

Juist de erkenning van de beperkingen aan haar eigen almacht vormt de basis voor een nieuwe risicopolitiek van de overheid. Wie niet alles zelf in de hand kan houden moet maatschappelijke partners zien te verwerven. In plaats van steeds naar aanleiding van incidenten te reageren, zou de overheid meer waardering moeten opbrengen voor burgers die zelf problemen en gevaren naar voren brengen. Zogenaamde `klokkenluiders', die vanuit hun publieke verantwoordelijkheid bepaalde problemen onderkennen, verdienen betere bescherming. Dissidente geluiden moeten niet enkel als lastig worden betiteld maar ook als kennisbron worden gewaardeerd. De risicomaatschappij vraagt zo om een andere en veel actievere rol voor overheid en de politiek. Maar tegelijkertijd zal het beleid erop gericht moeten zijn om burgers en maatschappelijk instituties nadrukkelijk medeverantwoordelijk te maken.

Dr. Maarten Hajer is hoogleraar beleid en bestuur aan de Universiteit van Amsterdam.

Dr. Michiel Schwarz is onafhankelijk onderzoeker en consultant op het gebied van de technologische cultuur.