Leiden en de moderne kunst

Op 7 mei 1917 schreef Theo van Doesburg geestdriftig aan zijn vriend Anthony Kok: ,,Heb een portret van Helena in glas in lood ontworpen! Het slaat de middeleeuwen totaal kapot! Ik beefde nog uren daarna en als ik nu naar het schetsontwerp kijk springen me de tranen in de oogen. Het is het schoonste wat ooit met glas en lood geschilderd is.'' Het raam dat Van Doesburg beschrijft is op de tentoonstelling De Dageraad van de Moderne Kunst in de Leidse Lakenhal te zien. Het is een mooi raam, van 30 bij 26 centimeter, met rechthoeken en vierkanten in helder groen, paars, wit, zwart en een weinig hemelsblauw, omrand door smalle stroken grijs – maar een gezicht is er met de beste wil van de wereld niet in te herkennen, laat staan het hoofd van Lena Millius, Van Doesburgs tweede vrouw. Deze Vrouwenkop is het eerste volledig uit horizontalen en verticalen bestaande ontwerp van Van Doesburg. Het hoogste doel van de kunstenaar, aldus van Van Doesburg, is om uitdrukking te geven aan een universele of geestelijke realiteit; en geometrische ordening, `de construeerende en bewust vergeestelijkende factor', was hiertoe de meest geëigende methode.

Met de groots opgezette expositie De Dageraad van de Moderne Kunst, Leiden 1890-1940 viert het Leidse museum zijn 125-jarig bestaan. Ruim 300 kunstvoorwerpen – schilderijen, tekeningen, sculpturen, meubels, keramiek, zilver, tapijten – roepen een beeld op van het aarzelende ontstaan van een avantgardistische, abstracte kunst in en rond Leiden, en ook van de terugkeer, in de jaren dertig, van een meer behoudende, figuratieve kunst. Van Doesburg vertegenwoordigt in deze ontwikkeling het spectaculairste moment. In de luttele vier jaar dat hij in Leiden woonde, richtte hij de vooruitstrevende kunstenaarsvereniging De Sphinx op, en kort daarna samen met architect J.J.P. Oud de kunstenaarsgroep De Stijl, organiseerde tentoonstellingen en lezingen, en ontving tal van geestverwanten, onder wie Mondriaan, in zijn Leidse woning. In 1923 deed hij tijdens een geruchtmakende `Dada-veldtocht' met zijn derde vrouw Nelly, Kurt Schwitters en Vilmos Huzár de Leidse Schouwburg aan.

Een uitgebreid onderzoek naar het ontstaan van de moderne kunst in Leiden dat Doris Wintgens, conservator van de Lakenhal, samen met het kunsthistorisch instituut van de universiteit van Leiden heeft verricht, leverde veel nieuw bronnenmateriaal op en bracht ook kunstvoorwerpen opnieuw aan het licht. Het resulteerde in een prachtig boek en in een levendige expositie waar grote en zeer kleine talenten door elkaar heen hangen, en waar het niet uitsluitend draait om topstukken. Hier wordt zichtbaar dat de kunstgeschiedenis niet een vanzelfsprekende lineaire opeenvolging is van stijlen, bewegingen en hoogtepunten, maar dat een situatie waaruit iets nieuws ontstaat complex is en op het moment zelf ondoorzichtig.

Zo is in Leiden niet alleen het bekende groepsportret te zien dat Charley Toorop in 1938 maakte van de kunstbeschouwer H.P. Bremmer en zijn vrouw omringd door kunstenaars, maar ook een curieus kamerscherm dat zij beschilderde met exotische kitschbloemen. In de vergetelheid geraakte Leidse schilders hangen zij aan zij met werken van Paul Citroen en Harm Kamerlingh Onnes. De sombere boventoon van de figuratieve, religieuze schilderijen uit de jaren dertig, van bijvoorbeeld Lode Sengers en Tinus van Doorn wordt in verband gebracht met het beroemde geschrift In de schaduwen van morgen dat de Leidse cultuurhistoricus Johan Huizinga in 1935 publiceerde.

Cees Verster, broer van de Leidse schilder Floris Verster, voerde in de jaren negentig van de vorige eeuw als onbezoldigd conservator van de Lakenhal een progressief tentoonstellingsbeleid. In 1893 organiseerde hij de eerste grote tentoonstelling van tekeningen van Van Gogh en maakte ook de eerste expositie van Jan Toorop (vader van Charley), die vlakbij in Katwijk woonde. H.P. Bremmer, later adviseur van mevrouw Kröller-Müller, richtte in dezelfde tijd in Leiden een kunstkring op waar hij optrad als vurig pleitbezorger van het pointillisme. In de Lakenhal zijn vele voorbeelden van de pointillistische techniek te zien, zoals de naïeve, kleurrijk gestippelde landschappen van Jan Vijlbrief en Henri van Daalhoff, het mooie halfsymbolistische-halfpointillistische schilderij De dorpelwachters der zee van Jan Toorop, en de wat stijve, studieus gestippelde molens en hooibergen van Bremmer zelf. Een van de mooiste werken op de expositie is een aquarel van Menso Kamerligh Onnes, een Stilleven met flessen (ca. 1892). Het zonlicht rust op het raamkozijn, speelt door het vensterglas heen en door de groene tinten van de flessen op de vensterbank die het licht tevens reflecteren; achter het raam ontvouwt zich groen gebladerte.

De blijdschap van Van Doesburg over het `portret' van Lena krijgt voor de beschouwer reliëf bij het zien van zijn vroege werk, fauvistische landschapjes in bruinen en okers, en een eveneens bruin Zelfportret naar Nietzsche met grote flaphoed, gedaan in ferme verfstreken. Van Doesburg noemde dit later `zijn gebraden periode'.

Het was niet iedereen gegeven om boeiende geometrische kunstwerken te maken, zoals in Leiden is te zien. Met alles vierkant en rechthoekig maken kom je er niet. In Het ontbijt (1921) van Hendrik Valk zitten vierkante mensen een vierkant brood te eten, wat wel aandoenlijk, maar niet echt overtuigend is. Ook de vierkante Stijlfles van Harm Kamerlingh Onnes wekt de lachlust op.

Maar dit is nu juist de grote verdienste van de Dageraad van de moderne kunst in de Lakenhal: door de liefde en aandacht waarmee de expositie is ingericht wordt aanschouwelijk hoe rijkgeschakeerd en gelaagd de kunst is. Dit was allemaal nodig om grote kunstenaars als Weissenbruch of Van Gogh of Mondriaan te laten bloeien.

Dageraad van de Moderne Kunst. In Stedelijk Museum de Lakenhal, Oude Singel 28-32, Leiden. T/m 29 augustus. Geopend di t/m vrij 10-17 uur, za en zo 12-17 uur. Catalogus, 336 blz., ƒ79,50.