Thuiszitter verdient monument

Tweeverdieners ontvluchten hun verantwoordelijkheid jegens hun kinderen, meent Jeannet Dooper.

Het overgrote deel van de huishoudens in ons land bestaat uit tweeverdieners. Het gezin dat slechts één werkende ouder kent lijkt een museumstuk te worden. De overheid zoekt driftig naar mogelijkheden om het voor ouders aantrekkelijker te maken om buitenshuis te gaan werken. Zelfs grootouders stimuleren deze ontwikkeling. Kritische geluiden klinken nauwelijks. Alleen de kleine christelijke partijen spreken hun zorg nog uit over deze ontwikkeling, maar zij worden niet serieus genomen.

Voor hen die niet meegaan in deze hype is het soms moeilijk om zich nog gewaardeerd te voelen. Indruk maakt het niet meer als zij vertellen dat zij de dekens buiten hebben gelucht, of de ramen gelapt en dat ze voor de kinderen zorgen.

Hoe kan het dat mensen zo naarstig op zoek zijn naar werk als ze thuis een taak hebben? Waarom klagen zoveel mensen over vermoeidheid en stress als ze de keuze hebben het rustiger aan te doen? Maar bovenal: hoe kan het dat zoveel hoogopgeleide mensen zo weinig gezond verstand hebben overgehouden? Blijkbaar is het werk op kantoor dermate boeiend dat andere taken daarmee vergeleken in de schaduw komen te staan. Dat betekent dat de volwassen mens zijn eigenwaarde ontleent aan de baas die hem commandeert.

Zonder opdrachtgever kan de moderne mens zijn bestemming niet vinden. Dat is vreemd, aangezien Nederland nog nooit zoveel hoogopgeleide mensen heeft gehad. Onderwijs vormt de mens en geeft hem een brede algemene ontwikkeling. Hem moet een arsenaal aan middelen ter beschikking staan om het leven een creatieve wending te geven. Dit is blijkbaar niet het geval. Werd veertig jaar geleden nog gedacht dat veel kennis de mens minder afhankelijk zou maken, nu blijkt het tegendeel. Al die kennis verlamt de moderne mens, zo lijkt het. Zonder baas, zonder opdracht van buitenaf voelt de mens zich eind jaren negentig nutteloos en onthand. Alle kennis die in hem is gestopt heeft hem tot een passief wezen gemaakt.

De moderne mens kan de eenzaamheid van het thuiszitten niet meer aan. Dat is vreemd, omdat de groep tweeverdieners met kinderen niet alleen thuiszit, zij wordt immers omgeven door zijn kinderen. Toch ervaart een groep Nederlanders het thuis zijn met een kind als een leegte. Het geeft geen inhoud aan hun leven, terwijl de taak van ouders zo duidelijk is. Concreter waarschijnlijk dan te werken aan stapels nota's, die in het merendeel der gevallen in de papierbak verdwijnen. Werken met opgroeiende kinderen is geen zinvolle taak, zeggen zij die 's ochtends naar de kinderopvang racen en vervolgens uitgeput op hun kantoorstoel neerploffen. Het historisch besef dat wij deel uitmaken van een groter geheel, dat al onze daden gevolgen hebben voor het verdere leven op aarde, klinkt niet meer door.

Een andere reden om te gaan werken is het feit dat het inkomen omhoog gaat. Voor een aantal is het een noodzaak, maar de grootste groep tweeverdieners beschikt met één inkomen ook al over voldoende geld. Dan lukt het best om in een net huis te wonen compleet met vaatwasser en nieuwe bank. De auto hoeft niet eens te ontbreken. Dat is anders dan vroeger, omdat anders geen brood op de planken kwam voor de kinderen. Toen werkten de arbeiders om te overleven. Iedere dag weer knokten zij om hun kroost op te voeden. Eind jaren negentig werken de arbeiders met gezinnen om hun huis te ontvluchten.

Het schrijnende van deze ontwikkeling is dat de tweeverdieners voortdurend op de agenda staan van de politiek. De groep die de samenleving alleen maar geld kost alsmede veel ongerief. Immers, al die kinderopvang kan niet zonder zware subsidie. Het autoverkeer neemt door deze groep onruststokers zorgwekkend toe. Tijd om een kind rustig op de fiets naar het dagverblijf te brengen is er niet. Een tweede auto wordt aangeschaft. Aan de andere kant haakt een deel van de tweeverdieners af en komt in de WAO terecht. Het onderwijs kampt met het probleem dat steeds meer slecht opgevoede kinderen op school verschijnen, terwijl diezelfde groep ouders van de school optimale ontplooiingskansen voor hun kroost eist.

De enkeling die kiest voor een andere optie komt er in Nederland bekaaid van af. Het gezin dat besluit eenverdiener te worden krijgt geen waardering in woorden, en al helemaal niet in geld. De ouders die hun kind vanaf de geboorte zelf grootbrengen omdat één van de ouders thuisblijft, krijgen wel een immateriële beloning. Stress is hen vreemd. Ze hebben continue aandacht voor het reilen en zeilen van het kind. Hun kinderen zijn tevreden. Hierin ligt de kracht van de thuisblijver. Door prioriteiten te stellen, door te durven schrappen komt er rust in het dagelijkse leven. De thuisblijver neemt verantwoordelijkheid.

Anno 1999 dient de vraag wie werkelijk kritisch in het leven staat opnieuw gesteld te worden. Getuigt het van een kritische houding als ouders die thuis een taak hebben beiden uit werken gaan? Is dit het resultaat van emancipatie? Het argument van tweeverdienende ouders dat zij veel diepgaander met hun kinderen omgaan, moet ook onmiddellijk de wereld uitgeholpen worden. Die wanstaltige kwaliteitsuurtjes die zij op hun agenda hebben staan, maakt het juist zo onwerkbaar voor de leerkrachten. Kinderen hoeven geen aparte aandacht. Kinderen gedijen onder het leven van alle dag. Als er boodschappen gedaan worden, of gedweild, of gekookt, of gestreken ervaren zij deel uit te maken van een gemeenschap. Dat is eigenlijk al voldoende. Die kwaliteitsuurtjes komen voort uit een intellectuele, berekende benadering. Dat is eng, daar zit geen warmte meer in. Spontaniteit blijft zelfs in een overgeautomatiseerde, mechanische, bureaucratische wereld noodzakelijk.

De geëmancipeerde mens eind jaren negentig heeft zich vrijgemaakt van slavernij en kan zelf vorm geven aan het leven. Hij is geen slaaf van de materie, maar denkt na. Meer dan honderd jaar geleden schreef Gorter zijn Mei. Aan het begin van Mei beschrijft Gorter een werkman die thuiskomt. Ondanks de zware arbeid die hij heeft verricht die dag, kan hij nog aandacht opbrengen voor iets wat buiten gebeurt. Hij ziet een jongen op straat lopen fluiten. ,,En menig moe man die zijn avondmaal nam, luisterde als naar een oud verhaal, glimlachend en een hand die het venster sloot, talmde een poze, wijl de jongen floot.'' Deze rust heeft de mens op zijn tijd nodig.

Jeannet Dooper is pedagoog.