Beursgang kan musea tot grote bloei brengen

Een beursgang van musea is de beste weg naar de toekomst. Op die manier kunnen investeringsproblemen worden opgelost, kan falend management naar huis worden gestuurd, en wordt de burger weer eigenaar van wat in naam van de staat is verworven.

Nederlandse musea kunnen een prominente rol op de markt spelen. Zet dertig stoelen van Gerrit Rietveld verantwoord naast elkaar en je hebt een Rietveld-tentoonstelling. Twintig portretten van Rembrandt, voila. Amerikaanse kunst in Nederlands bezit: een kaskraker. En het mooie is dat deze tentoonstellingen op verschillende manieren winst opleveren.

In de eerste plaats door een tentoonstelling aan een buitenlands museum te verhuren. wat forse nettowinst oplevert. Utrechtse Caravaggisten trokken zowel in Londen als in Baltimore honderdduizenden bezoekers, Rietveld trok in Sao Paolo in luttele dagen 50.000 nieuwsgierigen. Met dit soort kwalitatief hoogstaande tentoonstellingen willen ook veel bedrijven geassocieerd worden, die een deel van het onderzoek kunnen betalen.

Verder raken particuliere bruikleengevers en collectioneurs geprikkeld om aan het organiserende museum enkele werken te schenken. En last but not least leveren dergelijke tentoonstellingen op wetenschappelijk niveau schatten aan informatie op.

De vele kunsthistorici en musea in Nederland zorgen voor een vruchtbaar kunsthistorisch klimaat. Zo werken momenteel het Kröller Müller Museum en het Centraal Museum samen aan een tentoonstelling over Theo van Doesburg. Kunsthistorici bekijken en beschrijven twee jaar lang alle 2.800 `nummers' van de oprichter van De Stijl. Gaandeweg worden valse Van Doesburgs van echte onderscheiden. Zo ontstaat een goed beeld van zijn oeuvre. Daarenboven stijgt de marktwaarde van Van Doesburg. De zeldzame exemplaren die zich op de markt bevinden zullen op veilingen gewild blijken. De Van Doesburg-tentoonstelling zal veel publiek trekken, zowel in Nederland als in de twee buitenlandse musea waar zij in 2001 te zien is. Met een kostprijs van anderhalf miljoen zijn 100.000 bezoekers in drie steden voldoende om uit de kosten te komen.

De ontwikkeling van de gedachte van het winstgevend museum is begonnen met het privatiseren van de rijksmusea begin jaren negentig en van het gemeentelijke Groninger Museum in 1996. Hiermee werd in een klap erkend dat musea geen overheidsinstellingen zijn. Museumdirecteuren hoeven zich niet meer te verantwoorden bij een wethouder of minister, maar steeds meer bij een anoniem stichtingsbestuur. Privatiseren betekent dat een bedrijf op den duur in staat moet zijn om z'n eigen broek op te houden. Eerst krijgen de musea nog enkele jaren overheidssteun. Als de levensvatbaarheid van het museum zich op de markt van goede werken, cultuurtoerisme en liefdadigheid bewezen heeft, dan kan die steun verlaagd worden tot een symbolisch bedrag. Momenteel stellen die overheden zich nog royaal op: de afscheidspremies zijn hoog, en worden regelmatig aangevuld. Een jaarlijkse bijdrage van tussen de 4 en 10 miljoen gulden is geen uitzondering. Dat de geprivatiseerde musea stichtingen zijn is echter een verwerpelijke situatie die snel gecorrigeerd moet worden. Weliswaar zijn in de statuten nauwkeurige bepalingen opgenomen waarin staat dat er van de collectie niets verbrand, vernield of verkocht mag worden, een statutenwijziging is snel gemaakt. Met een naïef bestuur is een collectie zo verkocht. Zo kan in een ommedraai een exploitatietekort worden weggewerkt. Maar wie controleert dit?

Verstandiger is het om musea naar de beurs te brengen. Daar is juridische kennis aanwezig om ervoor te zorgen dat de onderneming preferente aandelen houdt, die het bruikleen van de kunstwerken garanderen.

De waarde van een beetje collectie loopt in de miljarden. Een aandelenemissie kan zorgen voor investeringen in de vorm van onderzoek en aankopen. Deze categorie aankopen kan op haar beurt in latere tijden verkocht worden, in tegenstelling tot de huidige collectie die `gefixeerd' wordt. Zo blijft beschermd wat ooit verworven is, en is verhandelbaar wat nog beschikbaar is. Dividend wordt uitgekeerd in de vorm van publicaties, toegangskaarten voor tentoonstellingen, en misschien zelfs in harde guldens. Research, nieuwe aankopen, een goed management en een duidelijke verantwoordelijkheidsstructuur zijn dan de instrumenten om Nederlandse musea veilig de 21ste eeuw in te loodsen. Zoals het aandeel Ajax in waarde zal stijgen als over twee jaar de finale van de Champions League weer gehaald wordt, zo zal het aandeel van de NV Museum stijgen met een mooie tentoonstelling van Renoir. Aandelen worden meer waard doordat het museum met tentoonstellingen, bezoekcijfers en de uitgave van publicaties in staat is om de omzet te doen stijgen en om hiermee winst te genereren.

In de definitie van het museum, opgesteld door de internationale museumvereniging, wordt expliciet genoemd dat musea niet op winst gericht zijn. Volgens deze definitie is een museum een permanente instelling die ten dienste staat van de gemeenschap. Haar ontwikkeling is toegankelijk voor het publiek en is niet gericht op het maken van winst. Een museum is een instelling die de materiële getuigenissen van de mens en zijn omgeving verwerft en behoudt, wetenschappelijk onderzoek verricht en presenteert, en hierover informeert voor doeleinden van studie, educatie en genoegen. Dat deze definitie is opgesteld in 1974 zegt al genoeg. Musea zijn veranderd, net zo goed als de samenleving waarin zij functioneren is veranderd. Vroeger dachten we hetzelfde van de post, nu blijkt dat bedrijf prima te privatiseren te zijn: KPN concurreert met verve met buitenlandse postbedrijven.

Het vertrek van verschillende incapabele museumdirecteuren is nabij. De noodkreten uit de musea in Maastricht, Rotterdam en Eindhoven zeggen genoeg. Een nieuwe generatie staat te dringen om het roer over te nemen. Kunsthistorici die zowel op kunsthistorisch microniveau als op maatschappelijk en economisch macroniveau kunnen denken en handelen. Musea zullen dan opnieuw hun bestaansrecht bewijzen. Met wetenschappelijk onderzoek, spectaculaire tentoonstellingen en een publieksvriendelijke houding. De NV Museum zal transparant en internationaal georiënteerd zijn, en een permanente drang hebben om kunsthistorische, artistieke en financiële winst te maken.

Ranti Tjan is verbonden aan het Centraal Museum in Utrecht.