Abortusstrijd

Een van de meest onverwachte uitnodigingen van de laatste tijd was het verzoek van de Vereniging ter bescherming van het ongeboren kind, de VBOK, om haar 25-jarig bestaan met een voordracht op te luisteren. Deze vereniging was voor menige feministe begin jaren zeventig de belichaming van de vijand: in haar ijver tegen de legalisering van abortus gold ze als bolwerk van bevoogdend conservatisme. Zo'n kans laat ik me niet gauw ontnemen.

Het is nu moeilijk meer voor te stellen, maar geen onderwerp heeft de gemoederen indertijd heviger in beroering gebracht dan de abortusstrijd. Op het strijdtoneel bevonden zich gynaecologen, psychiaters, juristen, priesters en dominees, ethici en politici.

En vrouwen: vrouwen gingen eind jaren zestig zich hevig roeren om het recht op abortus. Eerst een kleine groep activisten, maar vanaf de jaren zeventig werd abortus het symbool van de vrouwenstrijd. De strijd duurde jaren en was zeer verbeten.

Maar verbetenheid was er ook aan de andere kant: daar stonden de mensen die abortus als moord beschouwden. `Baas in eigen buik' stond tegenover `abortus is moord', en beide partijen sloegen hierbij iets over, verstarden in hun eigen standpunt en bestreden de ander met grote felheid. Alsof het leven er van afhing. Wat in dit geval ook zo was. Maar de vraag is wiens leven: dat van het ongeboren kind, of van de vrouw die zelf haar leven wilde bepalen en zeggenschap wilde hebben over eigen lichaam.

Het is achteraf intrigerend waarom zo'n macaber issue als de arbortusstrijd in de jaren zeventig het symbool werd van de strijd voor de vrouwenbevrijding. Waar moesten vrouwen van bevrijd worden, en tegen wie was de strijd gericht? In elk geval tegen mannen – de artsen, de juristen, de ethici, de politici, die de beslissingsmacht hadden over iets wat het leven van vrouwen ingrijpend kon bepalen. Het ging om de bevrijding van de bevoogding door mannen. Maar bij abortus gaat het natuurlijk ook om de bevrijding van kinderen die vrouwen aan huis en aan een zorgend bestaan bonden. Het was de tijd dat de moederschapsverheerlijking in feministische kring omsloeg in een visie waarin moeders als gevangenen werden beschouwd, beklemd, onderdrukt en ongelukkig. In deze visie moesten vrouwen verlost worden van het moederschap. De abortusstrijd was dus een strijd tegen mannelijke bevoogding die ook gericht was tegen kinderen, zonder dat het ooit zo genoemd werd.

Zeggenschap over eigen lichaam was het motto, voor ons nu vanzelfsprekend, maar toen betrekkelijk nieuw. Het lot van baren en de plicht tot zorgen – `anatomy is destiny' – moest afgeschud worden. Al is de terminologie soms wat gedateerd – het was een strijd tegen `de kolonisering van het vrouwenlichaam' – het sentiment is in deze tijd alleen maar sterker geworden: zelf, eigen keuze, zelfbepaling, autonomie: het zijn de slagwoorden van vandaag, en deze gelden nu evenzeer voor vrouwen.

Het verhaal is, zo verteld, helder en overzichtelijk. Maar ook valt, terugblikkend, op hoezeer het ging over nood en narigheid, om moeilijke afwegingen, waarbij beide partijen belangrijke kanten miskenden: de tegenstanders de nood van veel vrouwen die een abortus wilden; en de voorstanders dat het een nogal morbide strijdpunt was – door het als strijd om lijfsbehoud te benoemen werd elk besef dat het om twee lijven ging overstemd.

Dat laatste besef is bij mij, merk ik nu, veel sterker geworden dan het toen was. Het hebben van kinderen heeft daar onmiskenbaar toe bijgedragen, en een andere waardering van vrijheid en binding gegeven – het eerste is niet meer het hoogste goed, het tweede niet meer iets om je van te ontdoen.

Op die avond bleken de thema's van die eertijds zo gehate vereniging zich verschoven te hebben van een morele strijd tegen abortus naar hulpverlening bij ongewenste zwangerschap, van een appel op schuld naar het bieden van zorg. Een thema dat dat ook in feministische kring veel belangstelling heeft. Een onverwacht bondgenootschap.