Vioolconcert van Theo Loevendie virtuoos vertolkt

Pittig en puntig stuiterden de triolen in het nieuwe Vioolconcert van Theo Loevendie en in één stroperige massa stroomde het nog nieuwere werk van Ton Bruynèl in een desperate poging om van de grond te komen. Een grotere tegenstelling als in het afgelopen weekeinde in Muziekcentrum Vredenburg leek niet mogelijk. Loevendie's concert, dat vorige maand zijn wereldpremière beleefde te Kaiserslautern, droeg als ondertitel Vanishing Dances, wegstervende dansen, maar Exotic Dances zou ook geen slechte titel zijn geweest. Het eerste deel is rock-achtig, het tweede tendeert naar een wals, het derde is Afrikaans en het vierde Indiaas gekleurd. Maar net als de Hongaarse recruteringsdans in Bartóks Tweede vioolconcert is ook bij Loevendie de exotiek geïntegreerd in een persoonlijke stijl.

Bruynèl's compositie, na zijn dood voltooid door zijn leerling Ad Wammes, is zoals steeds bij deze componist in eerste instantie een breed opgezet kleurenspel dat ontstaat uit het samengaan van de gelijkzwevende stemming van in dit geval een strijkorkest met de microtonaliteit van de toonband. Het Radio Symfonie Orkest mengde uitstekend, nauw luisterend met die klanksporen. Een uitschiter in dit concert met meerdere stukken voor band en orkest vormde Panopticum van Alfred Schnittke voor piano en strijkers uit 1979: balancerend op de rand van de hysterie met Frank Peters als betrouwbare equibrilist.

Bruynèl koos voor zijn werk de titel Cours des nuages, verwijzend naar duistere wolken uit samengeperste klokkenklanken op de band. Zo licht en luchtig als Loevendie uitpakt, zo dramatisch gespannen is de sfeer in dit postume discours, beslist méér dan een spel. Het heeft veel weg van een poging om de zwaartekracht te overwinnen, dezelfde obsessie die ten grondslag ligt aan Bruynèls videoopera Non sono un uccello. De breedste band met zeer lage bas ontstaat na 13 minuten en pas precies op 18 minuten en 21 seconden komen de violen als het ware los van de grond, maar dan is het stuk ook meteen uit!

Dat Loevendie aan het slot eveneens in een pianissimo de hoogte inschiet is beslist de enige overeenkomst. Loevendie begint ook hoog. De tamboerijn zet zachtjes in gevolgd door de tinkelende triangel. Dan neemt de klarinet de viool als het ware bij de hand en begint de buitelende bravoure in loopjes die uitmonden in trillertjes, danwel glissandi. Na de strakke rock klinkt het tweede deel meer vanuit de losse pols, luchtig met af en toe een lage knor, alsof een onwillige beer het vertikt om mee te dansen. Het derde deel zet in met tikjes op de koebel, weer strikt en strak zoals het vierde deel weer even vrij klinkt als het tweede, vol flarden herinneringen aan de voorgaande delen.

Expressief is hier boven een pedaaltoon in het orkest het Indiaas zwabberende kleureffect dat soliste Isabelle van Keulen creëert in een onklassieke vingerzetting. Ze was zwierig virtuoos het gehele concert door, van noot tot noot te volgen, waar een belangrijk aandeel van luchtige klankbronnen als harp en celesta doorzichtigheid garandeerden.

Concerten: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. David Zinman. Radio Symfonie Orkest o.l.v. Mark Foster. Gehoord: 9 11/4 Muziekcentrum Vredenburg, Utrecht.