Vaar met de stroom mee

Men wordt wakker in het grijsroze ochtendlicht, staat op, poetst zijn tanden, buiten fluit beloftevol een merel en men denkt: we zijn in oorlog. Er komt een vliegtuig over op weg naar Schiphol, een man met een aktetas fietst door de straat, het theewater suist: het is vrede. Denkbeeldig en ongerijmd is de oorlog hier. Ergens anders niet. Daar wordt ook een vrouw wakker in het grijsroze ochtendlicht, er fluit misschien ook wel een merel, ze is haar gezin kwijt, ze heeft geen water om haar tanden te poetsen, ze begrijpt niet dat de wereld nog bestaat, dat deze ochtend heeft kunnen aanbreken nu alles wat haar betreft voorbij is. Het is niet makkelijk en niet aanlokkelijk je in haar in te leven. Euripides heeft het wel gedaan. We weten wat deze vrouw denkt. Dit: ,,Overeind, ongelukkige vrouw,/ richt je hoofd, je hals/ van de grond op. (-) Het lot neemt een wending, verdraag het./ Vaar met de stroom mee, vaar mee met het lot,/ wend de boeg van je leven/ toch niet naar de golven/ om het noodlot te tarten. (-) Wat ontbreekt er nog aan mijn ellendig verdriet?/ Ik ben mijn vaderland kwijt,/ mijn kinderen, mijn man./ O trots van het geslacht, nu gebroken,/ niets was je dus.''

Ze gaat nog even door, Hekabe, want zij is het die Euripides hier laat spreken, de koningin van Troje, nu de gevangene van de Grieken voor de muren van haar verwoeste stad. Ze is niet alleen Hekabe, ze is een vrouw uit elke oorlog die er sinds die ene mythische gevoerd is. Ze is oud, vernederd, hulpeloos, een vrouw die alleen nog maar kan klagen en dulden. Meer zit er niet op.

Zou je haar zijn, je hoorde die merel niet eens. En áls je hem hoorde, onderstreepte hij de onbegrijpelijkheid van het bestaan dat doorgaat, nadat het is opgehouden.

Het is ongepast maar toch waar, dat haar lot onze levensvreugde niet bederft. Niet omdat we niet aan haar denken en aan al degenen die met haar in de modder of in overvolle sportcomplexen overnachten, maar omdat het leven sterker is. De bomen zijn zo voorzichtig frommelig groen geworden, het ruikt soms zo overdonderend naar voorjaar, je haalt diep adem en je glimlacht. Vanzelf.

In de roman The Hours van Michael Cunningham gaat een hedendaagse Mrs. Dalloway in New York de straat op om bloemen te kopen. Het is een ochtend in juni, een gewone ochtend, met ronkend verkeer, een televisietoestel dat bij de vuilnis staat, een groenteboer met uitbundig geprijsde waren, ze komt een vriend tegen en maakt een praatje, en ze wordt overweldigd door een gevoel van liefde voor de wereld, liefde voor het leven. Ze denkt dat iedereen dat heeft, arm of rijk, ernstig zieken zelfs, `we willen allemaal wanhopig graag leven'. Ze neemt al die details in zich op die samen de stad uitmaken, het geluid van banden op het asfalt, het zonlicht door de bladeren, de geuren van grillworstjes, toeterende auto's en ze voelt de sensatie van in leven te zijn, op zo maar een morgen in juni. `Domweg gelukkig', zoals J.C. Bloem schreef.

Wat later in het boek leest een andere vrouw Virginia Woolfs roman Mrs. Dalloway, waarin Mrs. Dalloway de straat op gaat op een juni-ochtend om bloemen te kopen en ook overweldigd wordt door de wereld, door het leven. Dwaas toch, denkt Mrs. Dalloway `For Heaven only knows why one loves it so'. De vrouw die het leest, vraagt zich af hoe iemand die zo'n zin kon schrijven, Virginia Woolf dus, ertoe kon komen om zelfmoord te plegen.

Dat is een goede vraag, het is misschien wel dè vraag. Het is het raadsel dat men op volle kracht van het leven kan houden en het op andere momenten totaal zin- en waardeloos kan vinden. Niet omdat dan al die dingen die je eerst met vreugde vervulden er niet meer zijn, want het zijn vaak niet de grote dingen die de levenslust zo onweerstaanbaar omhoog doen borrelen. Maar omdat ze niet meer werken, omdat je ze niet meer ziet, omdat je ze niet meer wilt zien.

Daarom is troosten of opbeuren zo moeilijk. Het zou potsierlijk zijn om tegen Hekabe te zeggen: mevrouw, kijk om u heen, ziet u die twijgjes zo hartveroverend tegen het blauw van de lucht, hoort u de merel? Toch zou ze enorm geholpen zijn als ze dat nog wel kon zien. Etty Hillesum kon dat. Die liep 's avonds in Westerbork naar de rand van het kamp, keek uit over een veld met lupinen en genoot. Zij kon in de meest barre omstandigheden haar liefde voor het leven intact houden. ,,Vanmorgen stond er een regenboog over het kamp en de zon scheen in de modderplassen. Toen ik de ziekenbarak binnenkwam riepen een paar vrouwen me toe: ,,Hebt u goed nieuws, u ziet er zo vrolijk uit'.'' Natuurlijk voelde ze zich, ze was maar een mens tenslotte, ook wel eens verpletterd of erg bedrukt onder de last van wat er om haar heen gebeurde. Abel Herzberg kon het ook. Een boek met opstellen over Bergen-Belsen noemde hij stoïcijns Amor fati, liefde voor het lot. Hij geloofde in een menselijk principe, in rechtvaardigheid, in het leven, net als Hillesum die dat amalgaam `God' noemde.

Een houding als die van Hillesum of Herzberg is voorbeeldig, maar men kan niet anders doen dan haar zichzelf ten voorbeeld stellen, het is het soort grootheid dat niemand van een ander kan verlangen. Dat zag Etty Hillesum zelf trouwens ook in, dat je alleen voor jezelf kunt bepalen wat je kunt verdragen. Ook dat maakte haar zo bijzonder. Ze wist te aanvaarden, ze kon haar eigen lot aan, ze hielp anderen naar vermogen om het hunne te dragen, maar ze drong niemand iets op.

Wat heeft die vrouw uit Kosovo daar nu allemaal aan. Helemaal niets. Die is in eerste instantie het meest gebaat bij allerlei praktische dingen als dekens en schoon water en een plek waar ze althans voorlopig kan blijven, liefst bij familie of vrienden. Wij kunnen weinig voor haar betekenen. We kunnen geld overmaken, we kunnen voor haar bidden of aan haar denken, we kunnen onszelf proberen een houding aan te leren waar wijzelf en anderen iets aan zullen hebben mocht ons ooit iets zo verschrikkelijks overkomen, of iets anders verschrikkelijks. We kunnen natuurlijk ook gaan debatteren over het nut van de NAVO-bombardementen en of alles wel goed is voorbereid en hoe het kan dat zo'n grote operatie tegelijkertijd zo op een gok lijkt – maar er zijn bijna meer opinies dan mensen in omloop en die vrouw zit daar maar. Of ze zit in Servië en op haar huis is een bom gevallen, met onze hartelijke groeten.

,,Het lot neemt een wending, verdraag het.'' Er zit voor haar weinig anders op dan zich te schikken en liefst proberen weer mee te varen met het leven dat doorgegaan is zonder dat zij daarom gevraagd had. En God geve dat ook Hekabe, één van al die Hekabe's, op een ochtend glimlacht om een kind dat zit te neuriën of om zon in een plas en zich in leven voelt en ondanks zichzelf denkt `why one loves it so'. Misschien denkt ze dat maar even. Maar toch.