Opvliegende Hollander

Een beetje trots zijn wij Hollanders natuurlijk wel op die avontuurlijke Limburger. Zoals onze Jos zich elke keer weer met gevaar voor eigen leven in een tijdbom op wielen wurmt en daarin net zo lang blijft zitten tot hij het rijdende projectiel heeft ontmanteld. Dat is toch geweldig. Op een kermis in een krakkemikkige botsauto de snelheidsduivel spelen. Je moet het maar durven.

Nu moet worden gezegd dat er veel tegenover staat. Wie het zoals Jos en al die andere maniakale types aandurft in een automobiel plaats te nemen die veel sneller dan 200 kilometer per uur rijdt, wordt steevast omringd door een harem van wellustige jonge vrouwen. Welke man zou dat niet willen? Brunettes en blondines om te keuren en te kussen. Denken en praten over milieuverontreiniging doen ze gelukkig niet. Dom als ze zijn raken ze opgewonden van de lucht van olie en van het lawaai van snerpende motoren. Ze tonen hun schoonheid en hopen dat de snelle mannen er oog voor hebben. Ze vallen op echte mannen, mannen die durven, stoere mannen zoals Verstappen.

Jos is niet als Hakkinen, Schumacher, Irvine, Coulthard of die Italiaanse en Braziliaanse mannen. Hij mag dan vaardig kunnen autorijden en geen angst voor de hoogste snelheden hebben, hij is allerminst een door God uitverkoren piloot. Alleen wanneer het er niet echt om spant, tijdens zogenoemde proefritten, rijdt Verstappen alle snelheidsrecords aan gruzelementen. Misschien komt het ook wel doordat hij in echte wedstrijden nooit in de beste auto mag rijden. Hij mist iets. Maar wat? Misschien geld om de beste auto te krijgen, misschien uitstraling, misschien intelligentie, misschien domweg de brutaliteit om echt het gevecht met de dood aan te gaan.

Het valt ook niet mee als Nederlander mee te dingen naar het predikaat snelste automobilist ter wereld. Waar kun je in het land van de files nu harder dan 120 kilometer per uur rijden? Nergens. Schumacher heeft als Duitser op de Autobahn zijn vaardigheden kunnen beproeven. En Hakkinen heeft in Finland altijd de ruimte en de gelegenheid gehad om het gaspedaal tot op de bodem in te drukken. Verstappen, zegt het verhaal, heeft hardrijden moeten leren in een kart, zo'n trapkar, een Vliegende Hollander met hulpmotor. Maar hij werd daarin wel tweemaal de beste van Europa. Voor hem een reden om het later ook eens in een echte auto te proberen. Nog sneller, dat wilde Limburgse Jos.

De top van de snelheidsduivels heeft hij nooit kunnen bereiken. Misschien komt het nog. Misschien niet. Misschien doet hij liever niet meer mee, omdat hij op tijd heeft ingezien dat met krakkemikkige projectielen op wielen geen eer valt te behalen. Hij kent als geen ander het mechanische euvel. Misschien is het leven hem zelfs belangrijker dan de dood. Je weet het niet. Zoveel mensen die met hem meeleven, die hem willen steunen en zich vereenzelvigen met zijn avontuurlijke geest. Hij wordt er af en toe wel een beetje gek van.

Soms verschijnen al verontrustende berichten over hem in de krant. Dat hij zomaar in zijn snelle burgerauto een automobilist heeft geramd of een andere weggebruiker het recht op voorrang heeft ontnomen. Ook roekeloos rijden en op andere wijze in het verkeer het geduld verliezen schijnen hem niet vreemd te zijn. Vreemd is dat natuurlijk niet. Wie voortdurend op een circuit moet dulden dat anderen in een sneller voertuig rijden, wordt een gevaar op de openbare weg.