Vragen en tegenvragen

In de Stadsschouwburg van Utrecht beroofde Anna Karenina zich woensdagavond op spectaculaire wijze van het leven. We hoorden het snerpende geluid van een aanstormende trein, zagen Anna in het donker verdwijnen en toen het licht weer aan ging, was – achter op het toneel – in een flits nog een glimp van haar bloedrode jurk te zien. Daarna volgden nog wat flarden van een gesprek dat al snel overstemd werd door muziek. `Wij in de stad krijgen de laatste tijd niets anders te horen dan over de oorlog in Servië', ving ik op. Nog helemaal in de ban van de verdoemde passie tussen Anna en Wronski, meende ik iemand op het toneel te horen betogen dat burgers als het oorlog betreft afstand moeten doen van hun persoonlijke wil en in zulke aangelegenheden de verantwoordelijkheid aan de regering moeten laten.

Seconden later stopte de muziek, de zaal nam nog een tijdje stilte in acht, gehypnotiseerd leek het wel, alvorens los te barsten in een zelfs voor het gulle Nederlandse theaterpubliek uitzonderlijke ovatie. Het was dan ook een schitterende toneelversie van Anna Karenina die het Ro theater had neergezet. Maar dat slot. Het zou er toch niet omwille van de actualiteit bij zijn verzonnen?

Ik vroeg me af of de oorlog, zelfs bij een negentiende-eeuwse liefdesgeschiedenis in het theater, niet viel te ontlopen. In de hal had een bord gestaan met de waarschuwing dat tijdens de voorstelling enkele luide schoten zouden klinken, maar niet dat je daarbij meteen aan kruisraketten moest denken.

Het sloot wel goed aan bij waar we gebleven waren voor we de schouwburg betraden. Onder het eten hadden we niet of nauwelijks over het stuk of de roman of Tolstoj gepraat. Het was Servië voor en Kosovo na en onder het hoofdgerecht ging het maar weer eens over de voors en tegens van de NAVO-bombardementen. Overbekende argumenten werden uitentreuren en met stemverheffing herhaald. Daarna concentreerden we ons vier uur lang op de fatale liefde tussen Anna en graaf Wronski. De aan het slot uitgesproken woorden over de oorlog in Servië brachten ons terug bij de werkelijkheid en ik vroeg me af of dat de bedoeling was. Anna Karenina als politiek vormingstheater, daar moet je toch niet aan denken?

Mijn al bijna voltooide ergernis bleek, toen ik de roman er op nasloeg, helemaal misplaatst te zijn. Wel degelijk gaat het laatste deel van Tolstojs meesterwerk over de oorlog in Servië en de woorden waar we door het Ro theater mee naar huis werden gestuurd, staan er letterlijk in. Wronski gaat na Anna's zelfmoord naar Servië om met het Slavische broedervolk oorlog te voeren tegen de Turken. Er ontspint zich een twistgesprek over de rechtvaardiging van de niet-verklaarde oorlog. ,,Om een oorlogsverklaring gaat het hier helemaal niet, maar eenvoudig om een uiting van menselijk, christelijk gevoel. Men vermoordt onze broeders, die van hetzelfde bloed zijn als wij, eenzelfde geloof hebben. Gesteld dat het geen stam- of geloofsgenoten waren, maar eenvoudig kinderen, vrouwen en grijsaards; ook dan zou een rechtvaardig gevoel van diepe verontwaardiging zijn opgewekt en er zouden Russische mannen aangerukt zijn om aan die gruweldaden een eind te maken.''

Hoe dacht Tolstoj daar zelf over? Zijn mening wordt in de roman vertolkt door Ljewin die zich wil richten op `het goede', het algemeen menselijke – daarmee eindigt het boek. Met betrekking tot de Russische militaire interventie op de Balkan nam Tolstoj-Ljewin een impopulair pacifistisch standpunt in. De auteur werd om deze reden beschuldigd van verraad en onpatriottisch gedrag, onder anderen door Dostojevski, die Ljewins `halfzachte' houding verachtte.

Het laatste deel van Anna Karenina werd door de uitgever op politieke gronden geweigerd en daarom begin 1878 als afzonderlijk boekje gepubliceerd. De uitgever was verontwaardigd over de smalende wijze waarop de oorlog door Tolstoj werd veroordeeld.

Intussen lijkt het wel of alle debatten aan het slot van Anna Karenina dezer dagen nogmaals worden gevoerd. Ik zie sommige Servische kennissen, die ooit voor Miloševic zijn gevlucht en al jaren in Nederland wonen, vervallen in nationalisme en etnisch denken, ik hoor hen fulmineren tegen de NAVO `die onze broeders vermoordt die van hetzelfde bloed zijn als wij, eenzelfde geloof hebben'.

Anderen, zoals mijn Servische vriendin wier ouders in het centrum van Belgrado wonen op een steenworp afstand van de gebombardeerde ministeries, walgen nog even hard als voorheen van het bewind in Belgrado. Zij betreurt vooral dat de bommen elke Servische oppositie tegen Miloševic tot zwijgen hebben gebracht. En natuurlijk staat ook zij doodsangsten uit voor haar familieleden in Servië, die noch hun staatstelevisie maar evenmin, voor zover zij er kennis van kunnen nemen, de berichten uit het Westen vertrouwen.

Met ingehouden woede vuurt ze kritische vragen op me af. Waarom kon er niet eerder worden ingegrepen, toen de oppositie nog een kans maakte? Nu denkt negentig procent van de Serviërs dat de NAVO-bombardementen niets met Kosovo te maken hebben, maar er alleen op gericht zijn wapens uit te proberen en de Amerikaanse invloed op de Balkan uit te breiden. Waarom is Miloševic jarenlang door het Westen in het zadel gehouden, waarom doen de media hier alsof er alleen een zwart-wit keuze bestaat tussen het NAVO-standpunt en Miloševic, terwijl de kritische intelligentsia in Servië geen van beide aanhangt. Het lijkt alsof die mensen niet meer bestaan, alsof zij door de NAVO gestraft worden voor hun oppositie tegen Miloševic. Waarom, vraagt zij verder, hebben Westerse ambassades geen vinger uitgestoken om oppositionele journalisten te helpen. En waarom worden de Serviërs collectief gedemoniseerd? Allemaal legitieme vragen.

Tegenvraag: waarom richt de verontwaardiging van antinationalistische, anti-Miloševic-gezinde, voor zijn barbarij en nationalistische verdwazing gevluchte Serviërs zich niet primair op de mishandeling van de bevolking van Kosovo? Waarom zien zij er van af uitgerekend nu, om met Tolstoj te spreken, uiting te geven aan `een rechtvaardig gevoel van diepe verontwaardiging' om aan die gruweldaden een eind te maken?