Sterke verhalen

Het was in de tijd dat je op straat in Manhattan nog struikelde over de bedelaars, soms letterlijk, want er waren er veel die op de stoep zaten, benen gestrekt, het kartonnen bedelbekertje naast zich. Ik kon ze geen ongelijk geven. Bedelen moet al geen pretje zijn; de hele dag lopend bedelen houdt geen mens vol.

In dit verhaal was het tussen de middag, lunchuur, mooi weer. Op de hoek stond er een, het bekertje dringend gestrekt voor zich uit. Toevallig had ik een zak vol klein geld, deed een graai en stortte wat stuivers, dubbeltjes en kwartjes. Voor hem een klein vermogen, dacht ik nog terwijl ik mijn hand uitstrekte, en de fractie van de kwart seconde daarop zag ik het kapitaaltje in zijn koffie verdwijnen. ,,Huh'', zei hij.

Ik heb het verhaaltje al eens verteld, het hoort tot mijn repertoire. Het is goed afgelopen. Deze kantoorwerker die een luchtje stond te scheppen, waardeerde dat een buitenlander zo goed voor de Amerikaanse bedelaars was. Nadat ik een vers bekertje koffie voor hem had gekocht, hebben we als vrienden voor één ogenblik afscheid genomen, met een handdruk zelfs.

Jean-Paul Franssens heeft ook zo'n verhaal. Hij heeft er veel meer, maar dit past – dat wordt hieronder verklaard – in deze categorie. Hij was een jongen van een jaar of zeven, woonde in Groningen. De koningin bracht een bezoek aan de stad. Het was alweer prachtig weer, ze maakte haar rit in een open rijtuig. Jean-Paul wist dat als de koningin voorbijkomt, vaderlandslievende jongens hun petje in de lucht gooien en `Hoezee!' roepen. Aanzwellend gejuich kondigt het naderen van de koningin aan, Jean-Paul berekent het juiste ogenblik, roept `Hoezee!' en gooit zijn petje. Dat wordt door een windvlaag gegrepen en komt in het rijtuig terecht. De koningin rijdt verder met het petje. Hij komt blootshoofds thuis. Waar is je petje? Ja, dat heeft de koningin meegenomen.

Het is een volmaakt repertoireverhaal. Daarbij hoort het tot de categorie van de tweezijdigheid, want er is nog een partij die ook iets merkwaardigs te vertellen heeft. De koningin komt thuis en zegt tegen de prins: Wat ons vandaag in Groningen is overkomen! Bloemen, ja, daar zijn we aan gewend. Maar opeens gooit iemand een petje in ons rijtuig. In het paleis wordt er nog lang over nagepraat en telkens als er weer koninklijk bezoek aan Groningen wordt gebracht, zegt het koninklijk paar tegen elkaar: Weet je nog van dat petje?

Dan verschijnen de herinneringen van Jean-Paul in druk. De koningin leest, en opeens roept ze uit: `Ik weet het!' Iedereen wil weten wat de koningin weet. Opgetogen zegt ze: `Ik weet nu wie die jongen van dat petje is!' Het sprookjesachtig vervolg kan de lezer zelf verzinnen.

Zo zou het gekund hebben. Maar het ging over koningin Wilhelmina en dit mooie vervolg heeft het dus niet gehad. Intussen – daar had ik niet bij stilgestaan – had de man in wiens koffie ik mijn kleingeld had gegooid, ook een goed repertoireverhaal. Hij vertelt. Ik sta tussen de middag op straat van de zon en mijn koffie te genieten, en opeens komt er een man uit Amsterdam langs die er geld in gooit. In je koffie? Ja, in mijn koffie! Doen ze dat altijd in Amsterdam? Geld in de koffie gooien? Nee, hij dacht dat ik een bedelaar was. Zie je wel, hoe lang zeg ik nu al dat je een nieuw pak moet kopen. Enzovoorts.

Een paar dagen geleden was ik in gezelschap van een paar Amerikanen. Het gesprek ging over burgemeester Giuliani wie het is gelukt de meeste bedelaars van de straat te krijgen. Vraag niet hoe. Ik vertelde het verhaal van het geld in de koffie. Ik zag hoe plotseling een van mijn toehoorders, een onberispelijk geklede man, begon te glimlachen, ja, zijn gezicht straalde, werkelijk. Waar en wanneer was dat, vroeg hij. Daar en toen, zei ik. En hij riep uit: Die man was ik!

Gelooft u het? Des te beter, maar het hoeft niet. Het gaat niet om `het echt gebeurde' maar om het soort verhalen. Deze twee, van het geld in de koffie en het petje in de koets, horen tot een afzonderlijk soort. Er aan ten grondslag ligt een merkwaardige gebeurtenis waarbij twee mensen zijn betrokken. De twee gaan huns weegs en doen hun verslag dat door de toehoorders wordt ervaren als een `sterk verhaal'. Als het sterk genoeg is, blijft het door overlevering bestaan. Anderen vertellen het verder alsof ze het zelf hebben meegemaakt. Het is een compliment aan het toeval dat dit verhaal heeft veroorzaakt.

Maar het toeval is niet tevreden. Het brengt de twee van de merkwaardige gebeurtenis opnieuw samen. In de loop van het gesprek blijkt dit sterke verhaal met zijn twee versies opnieuw van toepassing te zijn. Of dat is te zwak uitgedrukt. De wending van het gesprek dwingt ertoe dit verhaal te vertellen. En dan de opgetogen verbazing van B als hij ontdekt dat hij de complementaire andere kant in zijn repertoire heeft. Uit deze vereniging van twee sterke verhalen ontstaat opnieuw een nieuw sterk verhaal.

Het doet wat denken aan de geschiedenis van de twee geliefden, zoals verteld door Henry James. De man heeft een mooie horloge maar geen ketting, de vrouw prachtig haar maar geen kam om erin te steken. In het geheim nemen beiden zich voor, elkaar te verrassen. De vrouw verkoopt haar haar aan de pruikenmaker en koopt de horlogeketting, de man idem zijn horloge voor de kam. Prachtig, en klassiek.

De twee verhalen waarmee dit stukje begint zijn weer een beetje anders, maar verwant. Het toeval heeft uit één gebeurtenis ten slotte drie verhalen gesponnen. Ik vind ze mooi omdat, afgezien van de verrassingen die ze bereiden, ze zo harmonieus sluitend zijn, en dit zonder dat er een bedoeling achter zit. Het kan haast niet anders of er zijn er meer. Ik ken alleen deze.