RECONSTRUCTIE

In `Gezocht: gezicht' met de ondertitel `Richard Neave's reconstructies onder vuur' (W&O, 30 januari) zegt de Leidse anatoom George Maat grote bezwaren te hebben tegen de door mij gehanteerde methode bij gezichtsreconstructies. Hij kritiseert het feit dat daarbij onder andere de weke delen van de schedel worden gemeten, waarbij van tabellen gebruik wordt gemaakt. Die tabellen, aldus Maat, geven gemiddelden. ``Ze trekken een familie Doorsnee-hoes over de schedel.''

Als anatoom zal hij toch zeker erkennen dat wanneer men een anatomische benadering gebruikt, zoals ik doe, de schedel zeer veel karakteristieken vertoont die het resultaat van elke reconstructie beïnvloeden, los van de gemiddelde metingen. Hoe belangrijk die metingen ook zijn — zelf maak ik gebruik van moderne statistische methoden, waarbij tevens de nieuwste ultrasone meettechnieken worden gehanteerd - voor de meerderheid van de gelaatstrekken zijn zij niet bepalend.

Het boek `Making Faces' waarvan ik co-auteur ben houdt zich inderdaad vooral bezig met historische figuren, maar ik heb vooral het gerechtelijke gebruik voor ogen gehad. Het feit dat door de methode talloze personen zijn herkend en vervolgens formeel zijn geïdentificeerd, rechtvaardigt mijns inziens het instituut gezichtsreconstructie.

Er zijn verscheidene gevallen geweest waarin niet alleen een bepaald slachtoffer is geïdentificeerd, maar tevens zijn moordenaar voor de rechter is gebracht. Niet uit het oog mag worden verloren dat het belangrijkste doel van forensische gezichtsreconstructie is gelegen in een poging het onherkenbare herkenbaar te maken. Waar het gaat om gezichtsreconstructies kan men het beste een zo goed mogelijke poging doen en daarbij uitgaan van een beperkt resultaat. Dat is beter dan niets te proberen en dus geen enkel resultaat te boeken.