Oorlogsinformatie

OORLOG EN PROPAGANDA zijn als twee kruinen op één hoofd. Ze kunnen van oudsher niet zonder elkaar. In de Eerste Wereldoorlog is deze dubbelslag voor het eerst op massale schaal geleverd. Sindsdien is er weinig veranderd. Informatie en desinformatie hebben een tweevoudige betekenis, in politieke én militaire zin: het zijn middelen om de vijand in de luren te leggen en tegelijkertijd de eigen bevolking voor de `goede zaak' te winnen. De oorlog om Kosovo is daarop geen uitzondering. De suggestie eergisteren van de Franse chef-staf om de televisiestations en zendmasten in Servië te bombarderen – eveneens uitgedragen door een woordvoerder van de NAVO, maar inmiddels niet bevestigd – is daarvan een recente illustratie. De logica achter dit voornemen is helder. Sinds de bombardementen heeft Belgrado de pers stap voor stap gelijkgeschakeld. De radio en televisie zijn nu grotendeels opgenomen in de Servische oorlogsvoering en aldus een militair doelwit geworden, althans voor de NAVO makkelijker te vinden dan de tanks van het reguliere leger.

Op de achtergrond speelt echter ook iets anders: de onvermijdelijke propagandaslag. In Servië woedt die op volle toeren. Verbazingwekkend is dat niet. Joegoslavië wordt geregeerd door een autoritair bewind dat zich in oorlog, zoals bekend, van zijn meest dictatoriale kant laat zien. De Amerikaanse president Bill Clinton is daarom inmiddels een synoniem voor Adolf Hitler. En in het buitenland worden diplomaten en andere zaakwaarnemers op pad gestuurd om alle beschuldigingen aan het adres van president Miloševic te ontkennen of honderdtachtig graden de draaien. De verwoestingen in Pristina bijvoorbeeld zijn, anders dan Brussel zegt, veroorzaakt door de NAVO en niet door de Servische politiemacht zelf. Soms blijkt die tegen-informatie overigens ook nog waar te zijn, zo heeft het bondgenootschap gisteren toegegeven naar aanleiding van een aanval op een doel in de hoofdstad van Kosovo.

In de NAVO-landen is van controle op de media geen sprake. Maar de woordvoerders van de alliantie in Brussel en Washington schuwen de retoriek evenmin. Met name NAVO-voorlichter Shea heeft de toon gezet. Als eerste maakte hij, in een verwijzing naar de terreur van de Rode Khmer in Cambodja, gewag van `killing fields' in Kosovo. Collega's namen het begrip `orwelliaans' in de mond, als metafoor om de administratieve liquidatie van de gevluchte bevolking kracht bij te zetten. En her er der, zoals op een persconferentie van VN-chef Kofi Annan, viel het woord `genocide'. De bewijzen voor deze `genocide' zouden beschikbaar zijn. Maar ze zijn nog niet beschikbaar gesteld, zodat moeilijk is te beoordelen of dit woord de immense en historische lading dekt die de beoogde analogie met 1933-'45 rechtvaardigt.

DEZE VERBALE VELDSLAG is verklaarbaar. De NAVO staat onder geweldige druk. De operatie in en rond Joegoslavië moet tot een goed einde worden gebracht. Elke andere uitkomst is een nederlaag. Maar zonder risico's is de retoriek niet. Ten eerste omdat de alliantie het per definitie moeilijker heeft dan Miloševic die de Serviërs – in het defensief gedrukt – kan voorhouden dat ze slachtoffers zijn. Ten tweede omdat de NAVO het draagvlak in de geallieerde landen niet mag verliezen. De menselijke motieven achter de operatie spelen immers een doorslaggevende rol.

Hoewel dit mediabeleid redelijk oogt, loopt de NAVO het gevaar dat ze in haar eigen mes loopt. Onjuiste voorlichting in Brussel zou wel eens als een boemerang kunnen terugkomen. Juist omdat snel succes uitblijft en het humanitaire drama zich dagelijks (ook via de media) openbaart, is het eens te meer van belang dat de informatie van het bondgenootschap betrouwbaar is. Het geven van openhartige antwoorden op serieuze vragen draagt daartoe meer bij dan de wedloop in retorica waartoe sommigen zich nu laten verleiden.