Naar Amerika

Volgens de heersende theorie zouden de eerste Amerikanen zo'n 12.000 jaar geleden vanuit Siberië de Nieuwe Wereld over land hebben gekoloniseerd. Inmiddels wijzen archeologische, genetische en taalkundige gegevens op een eerdere datum en dient de westkust zich nadrukkelijk aan als een alternatieve invalsroute.

WIE WAREN de eerste bewoners van Amerika? Waar kwamen ze vandaan? Wanneer zijn ze de Nieuwe Wereld binnengetrokken? En welke route hebben ze gevolgd? Het zijn vragen die al tientallen jaren onderwerp zijn van een ongemeen fel wetenschappelijk debat. Woedde dat aanvankelijk vooral in kringen van archeologen, de laatste tijd hebben ook genetici en taalkundigen zich met verve in de strijd geworpen. Daarbij gaat het er weinig zachtzinnig aan toe: openlijke verdachtmakingen, miskenning van elkaars resultaten, chauvinisme en het blindelings volharden in rammelende theorieën vertroebelen niet zelden de wetenschappelijke discussie.

Het is dan ook een zeer complex onderwerp, met veel haken en ogen, en veel vragen staan nog open. ``Een consensus lijkt nog vrij ver weg'', zegt Willem Adelaar, hoogleraar Indiaanse talen en culturen in Leiden. ``Maar ik heb wel het idee dat de kwestie in beweging is. De huidige opvattingen zijn minder star, minder eensluidend dan vroeger. Dat is een goede zaak. In plaats van een select aantal archeologische vondsten te verabsoluteren, zoals vaak gebeurd is,lijkt het zinvoller de feiten die de verschillende benaderingen aandragen te proberen op één lijn te brengen.''

Die feiten hebben betrekking op nieuwe archeologische vondsten die de mens eerder in de Nieuwe Wereld plaatsen dan tot nu toe viel hard te maken. Verder op de aanwezige taaldiversiteit in met name Zuid-Amerika, die volgens sommige taalkundigen alleen te rijmen valt met een bewoning van tienduizenden jaren, een conclusie die ook veel genetici trekken uit hun onderzoek naar erfelijk materiaal. Intussen laten de onzekerheden die er nog altijd liggen voldoende ruimte voor speculatie.

hoge jukbeenderen

Waar (bijna) iedereen het over eens is, is dat de eerste Amerikanen uit Siberië kwamen. Daarvoor bestaan krachtige aanwijzingen, op morfologisch, cultureel en genetisch vlak. Zo bezitten volkeren aan weerszijden van de Beringstraat sluik zwart haar, dunne wenkbrauwen, hoge jukbeenderen, 'Aziatische' oogleden en ook de vorm van de schedel en de snijtanden wijzen op verwantschap. Zowel de sjamaan in Azië als de medicijnman in Amerika zeggen een bovennatuurlijke genezingskracht te bezitten. Wigwams komen ook in Siberië voor. En het sterkste argument: er zijn genetische links aangetroffen.

Rijst de vraag wanneer de oversteek naar Alaska is gewaagd. Opgravingen laten zien dat homo sapiens ongeveer 40.000 jaar geleden in het noordoostelijke puntje van Siberië zijn opwachting maakte. Het ging om kleine groepjes die leefden van de jacht op mammoeten, bisons en andere grote zoogdieren uit het late Pleistoceen. In de laatste ijstijd fluctueerde door bevriezing van zeewater de hoogte van de zeespiegel zodanig dat de Beringstraat soms over een breedte van zo'n 1.500 kilometer droog viel. Met name in de tijdvakken 70.000-45.000 jaar geleden en 25.000-14.000 jaar geleden konden dieren (en eventueel mensen) via een toendralandschap de sprong naar Amerika maken. Maar ook tijdens warmere periodes (interglacialen), als het land weer onder water kwam te staan, was Amerika voor de mens bereikbaar. In strenge winters bevroor de Beringstraat en was het ijs sterk genoeg. Zelfs de Koude Oorlog kon niet verhinderen dat Eskimo's op St. Lawrence Eiland in Alaska hun bruid uit Siberië wisten te betrekken.

Eenmaal in Alaska lag de weg naar het zuiden voor de kolonisatoren niet zonder meer open. Twee enorme ijsmassa's, de westelijke Cordilleran-gletsjer en de Laurentide-gletsjer die vanaf de Atlantische Oceaan tot de voet van de Rocky Mountains reikte, lieten hooguit een smalle corridor vrij. Op het hoogtepunt van de laatste ijstijd, 18.000-15.000 jaar geleden, liepen deze 2.500 meter dikke gletsjers zelfs in elkaar over, iedere inlandse trekroute op weg naar de Great Plains blokkerend. Pas 12.000-9.000 jaar geleden liep de ijstijd op zijn eind en trokken de gletsjers zich terug.

De `standaardtheorie' zegt dat de eerste Amerikanen zich niet vóór 11.000 jaar geleden diep in het continent waagden. Deze datum heet de Clovis horizon, naar de plaats in het huidige New Mexico waar door archeologen in de jaren dertig gegroefde vuurstenen speerpunten werden opgegraven. Ze lagen in gezelschap van botten van mammoeten en bizons die door jagers waren gedood en geslacht. Verspreid over de Verenigde Staten en Mexico zijn sindsdien veel van deze speerpunten opgegraven, vooral in het midden en oosten. Alle dateren ze van 11.000 jaar geleden of later. Voor veel archeologen ontwikkelde Clovis zich tot een zienswijze waaraan niet viel te ontkomen. Vindplaatsen die op eerdere menselijke aanwezigheid wezen, werden gewantrouwd. Vaak terecht, maar niet altijd.

Dat geldt bijvoorbeeld voor Monte Verde in Chili, ongeveer 800 kilometer ten zuiden van de hoofdstad Santiago. Daar blijken zich al 12.500 jaar geleden mensen te hebben opgehouden. Er zijn resten gevonden van een nederzetting, inclusief stenen werktuigen, de voetafdruk van een kind en de restanten van een stuk vlees van een mastodont. Zelfs biedt Monte Verde aanwijzingen dat 33.000 jaar geleden in dit deel van Zuid-Amerika al mensen rondliepen. Aanvankelijk uitten Clovis-kopstukken grote scepsis over de juistheid van de dateringen. Maar na ter plekke de site tien dagen te hebben geïnspecteerd, daartoe uitgenodigd door opgravingsleider Tom Dillehay, gingen ze unaniem overstag en gaven ze toe dat Clovis niet per se de eerste Amerikanen representeerde.

Maar wie dan wel? En hadden ze vanuit Alaska wel een inlandse route gevolgd, tussen de smeltende gletsjers door? Op de jaarbijeenkomst van de Society for American Archeology, maart 1998 in Seattle, propageerde paleo-ecoloog Carole Mandryk van Harvard University een alternatief: een route langs de westkust. Haar onderzoek wijst uit dat het tot 12.000 jaar geleden duurde eer er mensen door de corridor konden trekken – te laat voor de bewoners van Monte Verde. Die zouden wel langs de kust van Alaska en British Columbia kunnen hebben gereisd. ``Er zijn talrijke geologische en biologische aanwijzingen dat delen van de kuststreek in de ijstijd begaanbaar waren, met begroeide landtongen waar beren en andere zoogdieren leefden'', aldus Mandryk.

Ideale bruggenhoofden voor kolonisten die per boot vanuit Beringia zuidwaarts hopten. Dat menselijke bezoekers geen sporen hebben achtergelaten, hoeft niet te verwonderen. Het zeewater staat nu honderd meter hoger, zodat eventuele resten zich onder water bevinden. Bovendien is de kuststreek van Alaska en Canada bedekt met dichte bossen op steile hellingen, ontoegankelijk terrein voor de archeoloog. Hun kletsnatte, zure bodem laat bovendien weinig over van organische resten.

skeletresten

Nieuwe opgravingen hebben de kustroute-hypothese aan populariteit doen winnen. Vijf maanden na de archeologenbijeenkomst in Seattle belegden de voorstanders een eendaags symposium in Portland. Daar kwam James Dixon, een archeoloog met vele jaren veldwerkervaring in Alaska, met recente vondsten die hij deed in een grot op het Prince of Wales eiland. Die was onder invloed van geologische processen `opgetild', zodat hij ook nu nog boven de zeespiegel lag. In de grot waren de skeletresten van een man aangetroffen. Koolstof-14 onderzoek duidt op een ouderdom van 9.200 jaar. Bovendien wees isotopenonderzoek uit dat de man, wellicht het slachtoffer van een beer, een dieet van uitsluitend zeevoedsel had genoten. Verderop in de grot werden botten gevonden van beren, tot 40.000 jaar oud. Overigens werd de opgraving op Prince of Wales na het vinden van de menselijke resten direct stilgelegd. De Native American Graves Protection and Repatriation Act uit 1990 schrijft immers voor dat de indianen die nu in het gebied leven moeten worden geconsulteerd en die toonden zich gereserveerd over verstoring van de graven van hun voorvaderen.

De Leidse hoogleraar Adelaar toont zich niet ontevreden met het afkalven van de Clovis-hegemonie. ``Monte Verde geeft aan dat vóór de Clovis-horizon er in het zuiden van Zuid-Amerika al mensen zijn geweest. Clovis heeft betrekking op het gebied ten oosten van de Rocky Mountains, dat 18.000 jaar geleden, op het hoogtepunt van de ijstijd, voor 60 procent met ijs was bedekt. Geen van de vermoedelijke oorsprongsgebieden van indiaanse taalfamilies ligt in die 60 procent. Dat betekent dat die gebieden elders lagen en dat daar dus ook 18.000 jaar geleden al mensen moeten hebben gewoond.''

Voor de kustroute pleiten meer taalkundige argumenten: de grootste diversiteit aan indianentalen loopt vanaf Alaska tot Californië. Adelaar: ``Veel van die talen zijn nu uitgestorven, maar tot de vorige eeuw was de situatie er ingewikkelder dan waar ook ter wereld, uitgezonderd misschien Nieuw-Guinea. Je kunt je voorstellen dat ten tijde van de eerste golf kolonisatoren de ijstijd zich nog duidelijk deed gelden, dat men de Rocky Mountains links liet liggen. Je zou de Clovis-kolonisatie over land kunnen zien als een geïsoleerde beweging, geldig voor een deel van Noord-Amerika maar losstaand van de eerdere bewoning van de noordelijke westkust en Zuid-Amerika.''

Er zijn ook taalkundigen die zich kunnen vinden in de Clovis-horizon. Zeer controversieel acht Adelaar de classificatie die Joseph Greenberg in 1987 in zijn boek Language in the Americas ontvouwde. Volgens deze Amerikaanse onderzoeker wijzen de genetische, archeologische en taalkundige gegevens samen uit dat de mens op zijn vroegst 12.000 jaar geleden vanuit Siberië de Nieuwe Wereld binnen trok. Greenberg, verbonden aan Stanford University, veronderstelt drie golven immigranten. De eerste resulteerde in de huidige sprekers van de Amerindische talen, de tweede in die van de Na-Dene-talen en als laatsten kwamen de Aleut-eskimo's. Na-Dene en Aleut vind je vooral in Canada en Alaska, de Amerindiërs zitten zuidelijker.

Volgens Greenberg zijn alle Amerindische talen met elkaar verwant en behoren ze tot één familie. Adelaar: ``Hij baseert dat op lexicale en grammaticale gegevens die in hoge mate onbetrouwbaar blijken. Ikzelf ben gespecialiseerd in de talen van het Andesgebied. Toen ik het materiaal dat Greenberg voor die talen heeft gehanteerd natrok, bleek daar weinig van overeind te blijven. Woorden waren onherkenbaar verminkt, waren obscuur en betekenden eigenlijk iets anders – het klopte van geen kant. Kenners van delen van Noord-Amerika komen tot dezelfde conclusie. Ook zijn mass comparison-methode, waarbij grote aantallen talen op vrij willekeurige wijze met elkaar worden vergeleken, is aanvechtbaar. Eén taalfamilie is veel te weinig om de enorme variatie binnen de Amerindische talen recht te doen. En juist het ontstaan van die variatie kost veel tijd.''

honderd taalfamilies

Een probleem in deze discussie is dat de Amerindische talen, in tegenstelling tot Indo-Europese als het Engels, Perzisch en Sanskriet, lang niet grondig onderzocht zijn. Adelaar: ``En dat terwijl de complexiteit veel groter is. In Zuid-Amerika alleen al heb je ruim honderd verschillende taalfamilies. Hun structuur is heel wel vergelijkbaar met het Indo-Europees: je ziet dezelfde klankveranderingen optreden en indianentalen groeien op dezelfde wijze uit elkaar. Vaak bestaan die families uit één taal, sommige zijn uitgestorven. Vergelijk dat met West-Europa, waar – uitgezonderd een enkele taal als het Baskisch – alles tot één overzichtelijke familie behoort.''

Adelaar kan Greenbergs 12.000 jaar maar moeilijk accepteren. ``De diversiteit is vooral in Zuid-Amerika zo enorm, de ontwikkeling daarvan vergt tijd, dat wijst op een hogere ouderdom. De eerste bewoners die vanuit Alaska Amerika binnentrokken, troffen een leeg continent aan. Veel taalverandering is het product van taalcontact, stammen komen elkaar tegen en veranderen allebei hun taal. In een leeg land bestaat geen taalcontact. Dus moet je extra tijd inbouwen om de opgetreden uitsplitsing in al die extreem verschillende talen alsnog te kunnen verklaren. Volgens sommige richtinggevende archeologen is Zuid-Amerika na de Clovis-horizon binnen een mum van tijd door indianen op jacht naar groot wild bevolkt geraakt, tot Vuurland aan toe. Wie de topografie van Zuid-Amerika kent, kan zo'n voorstelling van zaken niet anders dan onwaarschijnlijk vinden. De diversificatie van de talen wijst eerder op een langzame, druppelsgewijze verspreiding door kleine groepjes die eenzaam rondtrekken, na de uitvinding van de landbouw in grootte toenemen en elkaar weer tegenkomen. Waar het Indo-Europees in zijn opmars naar het westen lokale talen als het Etruskisch, Egeïsch of Iberisch heeft verdrongen – wat de vorming van verschillende takken sterk bevorderde – is dat in Zuid-Amerika nauwelijks het geval. De bevolking was gewoon veel te dun. Isolement maakt een taal conservatief. Neem IJsland. De taal die daar nu wordt gesproken, een afsplitsing van het Oud-Noors, lijkt nog steeds sterk op die van duizend jaar geleden.''

Behalve archeologen en vergelijkende taalwetenschappers mengen ook genetici zich in het debat. Hun materiaal is DNA, het erfelijk materiaal van de mens. Dat is onderhevig aan natuurlijke mutaties en door gericht gemeenschappelijke clusters van mutaties te zoeken kom je afstammingslijnen op het spoor. Vooral mitochondriaal DNA (mtDNA) leent zich goed voor onderzoek. Dat zit niet in de celkern opgeslagen maar in de mitochondriën,de energiefabrieken van de cel. Omdat mtDNA veel sneller muteert dan het DNA in de chromosomen, leent het zich vooral voor afstammingsonderzoek met een tijdspanne van enkele tienduizenden jaren. Bovendien wordt mtDNA overgeërfd langs de vrouwelijke lijn, zodat het niet aan de gene shuffling bloot staat die bij de andere genen het evolutionaire spoorzoeken tot een moeizame bezigheid maakt. Door een constant tempo te veronderstellen waarin mutaties zich voltrekken – een aanname die inmiddels onder vuur ligt – fungeert mtDNA bovendien als een biologische klok.

Een pionier op dit gebied is de fysisch antropoloog Douglas Wallace van Emory University in Atlanta. Afgelopen november opperde hij in het American Journal of Human Genetics een tweevoudige entree van de Paleo-indianen. Eerder had de Emory-groep ontdekt dat de hedendaagse indianen en eskimo's vier varianten aan mtDNA bezitten, ieder gekenmerkt door een specifieke combinatie aan mutaties. Ook oorspronkelijke bewoners aan de andere kant van de Beringstraat zijn nu onderderzocht. Bijna allen droegen ze drie van de vier indiaanse varianten. De overeenkomst in variaties die de genetische gegevens van de oorspronkelijke bewoners aan weerskanten van de Beringstraat vertonen brengt Wallace tot de conclusie dat de eerste Amerikanen zo'n 35.000 jaar geleden in `Beringia' aanwezig waren en op dat moment al naar het zuiden trokken. De dragers van de vierde variant zouden in een latere golf Amerika zijn binnengetrokken. Dat zouden dan de Clovisjagers geweest kunnen zijn.

in één golf

Naast mitochondriaal DNA leent het mannelijke Y-chromosoom zich goed voor afstammingsonderzoek: ook dit wordt zo goed als intact overgedragen op volgende generaties. In 1996 vond Peter Underhill, een geneticus verbonden aan Stanford, bij indianen een mutatie op het Y-chromosoom. In het decembernummer van de American Journal of Human Genetics komt een Argentijnse groep onder leiding van Nestor Bianchi op basis van een veel groter sample, met daarin mannen uit het hele continent, tot de conclusie dat de variant, afhankelijk van de locatie, in 40 tot 95 procent van de Y-chromosomen opduikt. De dragers, aldus de onderzoekers, zijn dus verwant en het waarschijnlijkst is dat ze in één golf zijn gekomen. In het februari- en maartnummer van hetzelfde tijdschrift staan artikelen waarin de bron van de mutatie in Centraal-Siberië wordt gezocht. Als kandidaten gelden de Kets, die aan de Yenisseyrivier wonen, en de bewoners van het Altai-gebergte.

Hoe hard dergelijke claims zijn, is onduidelijk. Genetisch onderzoek is een gebied vol valkuilen en de onzekerheden zijn groot. Juist omdat de conclusies op basis van DNA-onderzoek de afgelopen jaren nogal eens verschoven zijn, en de uitkomsten van de verschillende typen onderzoek elkaar niet altijd dekken, heeft taalkundige Joseph Greenberg besloten ze vooralsnog te negeren. Pas als er consensus is, mogen ze zich bij hem melden, zo verklaarde hij in 1996 in Science.

Zo woedt het debat voort en zal er nog heel wat water door de Beringstraat vloeien eer de partijen overeenstemming zullen bereiken. Intussen geloven de Mormonen nog altijd dat de indianen afstammen van de `verloren Israelitische stammen' die circa 720 voor Christus door de koning van Assyrië van hun land zijn verdreven. En ook zijn er die volhouden dat Amerika is bevolkt vanuit zee.Adelaar: ``Een plant, de zoete aardappel, draagt dezelfde naam in Peru als in Polynesië. Hij is van Peru naar die archipel gegaan: de Polynesiërs waren veel betere zeevaarders. Het woord voor die plant vind je in Nieuw-Zeeland, Hawaii en op Paaseiland, gebieden op enorme afstand van elkaar. Uit de klankverandering die het heeft ondergaan valt af te leiden dat de zoete aardappel rond 1100 van Centraal-Polynesië naar Hawaii is meegenomen, het transport vanuit Peru moet dus ruim voor die datum hebben plaatsgevonden. Invloed op de Amerindische taal heeft het kortstondige bezoek van de Polynesiërs nauwelijks gehad. De indianen komen uit Siberië, niet uit zee.''