MUIS ZOOGT JONGEN SLECHT DOOR FOUT IN PATERNAAL PEG3-GEN

Britse en Japanse onderzoekers hebben een gen ontdekt dat een rol speelt bij het zorggedrag van vrouwelijke muizen. Een fout in dit zogeheten Peg3-gen leidt tot afwijkend gedrag. De moeder verzorgt haar jongen zo slecht dat het merendeel snel sterft. Opvallend genoeg treedt deze afwijking alleen op als de fout zit in het Peg3-gen dat de pasbevallen muis van haar vader heeft gekregen. Als de fout in het maternale gen schuilt vertoont de muis dat gedrag niet (Science, 9 april).

Dit verschijnsel staat bekend als genetic imprinting. Een kind krijgt van vader en moeder een pakket erfelijk materiaal zodat er van alle genen twee varianten (allelen) bestaan. Voor sommige genen geldt dat slechts een van de twee allelen actief is, het andere wordt nooit afgelezen. Dat is bijvoorbeeld beschreven voor het gen dat codeert voor de insulin-like growth-factor-2 (Igf-2). In jonge muizen is alleen het Igf-2-allel van de vader actief. Maar voor de receptor van deze groeifactor geldt juist het omgekeerde. Alleen het maternale allel dat codeert voor deze receptor (Igf-2r) is actief. Zit er een fout in dat maternale allel, dan lopen de jongen een groeiachterstand op. Schuilt de fout in het paternale gen, dan is er niks aan de hand.

De Britse en Japanse onderzoekers hebben nu iets vergelijkbaars ontdekt voor het Peg3-gen. Een fout in het paternale allel leidt tot afwijkend zorggedrag van de pasbevallen muis. Omdat pasgeboren muizen doof, blind en immobiel zijn bouwt de moeder een nest, ze verzamelt haar jongen en vlijt zich over de jongen om hen warm te houden. Moeders met een fout in het paternale Peg3-allel vertoonden afwijkend gedrag. Ze deden er acht keer langer over dan normaal om een nest te bouwen, het verzamelen van de jongen nam elf keer meer tijd in beslag. Veel van de jongen stierven daardoor een snelle dood.

De jongen die overleefden groeiden beduidend langzamer dan de jongen van normale moeders. Uit verder onderzoek bleek dat de moeders met afwijkend gedrag veel minder zenuwcellen bezaten die het hormoon oxytocine afgeven. Dit in de hersenen afgegeven hormoon stimuleert de melkgift bij de moeder. De moeders met afwijkend gedrag hadden anderhalf keer zo weinig oxytocine-producerende cellen, vergeleken met normale moeders. Volgens de onderzoekers is dit gebrek verantwoordelijk voor de langzame groei van de jonge muizen.