Kunstenaars in uniform

De galerievloer van het Brusselse Gemeentekrediet lijkt te trillen onder de voeten. Oorlogsgedruis is zó indringend nagebootst dat het hinderlijk is. Totdat de bezoeker beseft dat de tentoonstelling Het Front in kleur, 1914-1918 ook wil verwijzen naar de échte ervaringen van de soldaten in de Eerste Wereldoorlog. De uniformjasjes die keurig gestreken in de vitrines liggen, waren ruim tachtig jaar geleden meestal nat, modderig en misschien wel bloederig. Het bundeltje speelkaarten, de pijp, het eerstehulpsetje, de stalen helmen en de uit oorlogskoper gezaagde prullaria worden schrijnend als je je bedenkt hoeveel van dit soort intieme voorwerpen in de zompige vlakten rond de IJzer zijn verdwenen. De Grote Oorlog, zoals de Belgen zeggen, eiste in vier jaar negen miljoen levens.

Toch gaat deze tentoonstelling maar indirect over die tragedie. Ondanks de vaak doeltreffende educatieve trucs is het geen historische presentatie over feiten en verschrikkingen van de oorlog, maar een kunsthistorische presentatie van het werk van de Belgische soldaat-kunstenaars die in '14-'18 aan het front de opdracht hadden de gebeurtenissen in beeld te brengen. Ongeveer honderd kunstenaars maakten deel uit deze Section Artistique van het Belgische leger. Ze produceerden allesbehalve propagandistisch werk, maar legden van zeer nabij hun persoonlijke visie op het frontleven vast, de angst, de ontzetting, de ontbering, de vernielingen, maar ook de verveling en het vermaak in de schuilplaatsen.

De meesten zijn ook in België vrijwel onbekend gebleven: Robert Aerens, Marc-Henri Meunier, Maurice Wagemans, Henri Anspach, Achiel Van Sassenbrouck, Henri De Groux. Hun schilderijen zijn zelden groot, maar vaak zeer indringend en vreemd genoeg soms zelfs vrolijk van kleur. Die oude, verre oorlog met zijn in onze ogen primitieve wapens en gevechtsmethoden, alleen bekend van zwart-wit foto's en vage films, krijgt opeens een moderner gezicht. Grove, expressionistische streken en felle, deformerende kleuren domineren op het her en der vandaan gehaalde werk. Niet zo vreemd, als je bedenkt dat frontkunstenaars als Anne-Pierre de Kadt en Médard Maertens net voor de oorlog tot de modernistische kringen in Brussel behoorden. De portretten die deze Brabantse fauvisten van hun in legeruniform gestoken kunstenaarsvrienden maakten, passen precies in hun ontwikkelingen en steken met kop en schouders boven het gemiddelde `oorlogswerk' uit.

Ontploffingen, bombardementen en branden roepen eerst een artistiek intrigerend beeld op, en dan pas iets gruwelijks. Dat komt vooral door de grote mate van abstractie. De angst en ellende waren blijkbaar zo groot dat ze alleen met enige afstand konden worden weergegeven. Fernand Allard l'Olivier is misschien nog de meest directe kunstenaar. Hij maakte een beeldvullend portret van een soldaat die, verrast door het schijnsel van een lichtkogel, de toeschouwer met wijd opengesperde ogen aanstaart. Ter vergelijking zijn ook enkele Britse, Duitse en Franse soldaten-kunstenaars opgenomen die aan het Belgische front werkten. Hun doeken zijn minder kleurrijk. Ze maakten meer gebruik van symboliek, zoals de Brit Paul Nash die tijdelijk uitgeschakeld door verwondingen zijn gruwelijke ervaringen thuis in Londen op het doek en de lithosteen kon uitwerkenen.

Over de oorlog, die voor zijn ontwikkeling zeer bepalend is geweest, schreef Nash in een brief de woorden die een van de vele expressionistische doeken op de tentoonstelling oproepen: `Zonsopgang en zonsondergang zijn godslasterlijk, een vloek voor de mens. Alleen de zwarte regen uit de gekneusde en gezwollen wolken, de hele bittere zwarte nacht lang, past bij dit land. De regen jaagt voort, de stinkende modder wordt nog giftiger van kleur, de inslagkraters lopen vol met groenwit water, (...), de stervende zwarte bomen druppen en zweten en het blijft granaten regenen.'

Tentoonstelling: Het front in kleur 1914-1918. Schilders aan het Belgische front. T/m 23/5 in Galerie van het Gemeentekrediet, Passage 44, Brussel. Open: di-zo 11-18 u. Ma en feestdagen gesloten. Cat. Bfr. 495.