Koning van Europa

Het was wennen voor Henny Mans- holt, toen Sicco minister van Land- bouw werd in 1945. Ze verhuisden van het platteland naar de stad, gingen op de thee bij de koningin. Zijn top- ambtenaren noemden hem `boer op het departe- ment'. Als Eurocommissaris in Brussel bleef hij onverstoorbaar en autoritair.Hoe Europa tot stand kwam ten koste van een huwelijk. Een voorpublicatie uit De graanrepubliek van Frank Westerman.

De ochtend dat Sicco naar Den Haag vertrok, had Henny hem in al zijn rijzigheid voor de spiegel zien staan. ,,Noem me maar excellentie'', zei hij tegen zijn evenbeeld.

De jonge ministersvrouw, die nog nooit in de stad had gewoond, zag er tegenop om te moeten verhuizen. Het werd Wassenaar en het zou tijdelijk zijn, hooguit twee jaar. Als ze de pasgeboren Theda de borst gaf, knoopte ze eerst een beddenlaken voor de ramen. Voor gordijnen was nog geen geld, en de Prinses Marielaan was zo smal in vergelijking met de polder dat de overburen met gemak naar binnen konden kijken. Het was überhaupt wennen om overburen te hebben.

Op een avond ging de telefoon. Henny nam op, nietsvermoedend, maar aan het verstrakken van haar mond zag Sicco dat er iets aan de hand was. ,,'t Is voor jou'', zei ze, de hoorn met twee handen omklemmend. ,,Hare Majesteit.''

Omdat koningin Wilhelmina nogal gesteld was op de nieuwe minister van Landbouw, werd hij vaak op Huis ten Bosch uitgenodigd. Bij Sicco's eerste koninklijke visite zat ze bij een brandende potkachel, gekleed in een bontjas en bontlaarsjes. Er was een ruit van de theekamer kapot, het tochtte.

,,Maar majesteit'', riep Sicco uit. ,,Dat kan toch gerepareerd worden!''

,,Nee'', zei de koningin. ,,Ik wil niet dat er een glaszetter komt. Zolang er verwoeste huizen zijn, kan dit wachten.''

Een nutteloos gebaar, vond de minister. Hij vroeg om een gereedschapskist, nam de maat van de kapotte ruit en zette er nog diezelfde middag een nieuwe in.

Al gauw moest ook Henny verschijnen op koninklijke diners, soirees en de ministersvrouwenthee.

,,Ik had weliswaar een kledingadviseuse'', vertelde ze op haar Heerenveense seniorenflat. ,,Maar ik vond het telkens weer een bezoeking.'' Met een breekbaar kraaistemmetje deed ze de koningin na: ,,Goedemiddag damus!'' Een militair met kwastjes aan zijn uniform serveerde koekjes en kandij, knipmessend bij ieder ,,dank u zeer''. Onder het getinkel van zilveren lepeltjes hoorde Wilhelmina haar dan uit over de oorlog. Onderduikers op de boerderij... man in het verzet... Hoe was dat?

Maar Henny kon er niet over praten. ,,Daarvoor was ik juist in behandeling'', zei ze. ,,Ik kon het leven niet meer aan.''

Haar psychiater, een professor uit Leiden, schreef haar een paar maanden rust en gezonde berglucht voor. Met in elke hand een koffer nam ze de trein naar Zwitserland, waar ze in een pension voor traumapatiënten werd opgenomen. ,,Een mooie omgeving. Mooie bloemen ook. Maar ik kon er niet tegen. Ik heb het vijf of zes weken uitgehouden.''

Juist omdat ze gescheiden was van haar kinderen haalde ze zich de gruwelijkste dingen in haar hoofd. SD'ers zonder gezichten sleepten 's nachts Gajus aan zijn haren bij haar weg. Als ze dan tussen de klambezweten lakens wakker schrok, wist ze niet meer of ze haar zoontje echt had horen gillen, of dat het haar eigen stem was. Nog altijd kon ze er niet over uit dat die Leidse psychiater haar naar de Alpen had durven sturen. ,,Een jonge moeder wegrukken bij haar kinderen, wat is dat voor behandeling?''

Hoe het Sicco op het ministerie was vergaan wist ze niet. Ze had geen idee, zei ze. Maar wat er over hem geschreven was, zat in de plakboeken. De grondstof daarvoor was knipsel voor knipsel aangeleverd door vrienden en kennissen; Henny plakte ze in, op volgorde van binnenkomst, en telkens als er een boek vol was, zette ze het bij de andere op de overloop.

Op een briefkaart krabbelde ze een volmacht om de naar Amsterdam verhuisde plakboekverzameling en de rest van Sicco's privé-archief te mogen raadplegen.

Toen ik mij in het voorjaar van 1996 met dat briefje bij de balie van het Instituut voor Sociale Geschiedenis meldde, een muiskleurige kolos op een schiereiland in het IJ, bleek ik te vroeg. De verhuisdozen met paperassen waren net aangekomen, ze zaten nog dicht. Uitpakken en ordenen zou wel even duren, zei de archivaris.

Ik had Henny gevraagd of ze nog contact had met vroegere collega's van haar man, met wie ik zou kunnen praten. Alfred Mozer zou een goede zijn geweest, zei ze, zijn vroegere kabinetschef in Brussel, maar ja, die was al jaren dood. Of Heringa, een van zijn trouwste medewerkers die al op het ministerie van Landbouw werkte voordat Sicco daar kwam. Het probleem was dat haar man in 1945 als 36-jarige minister jonger was dan menige jongste bediende, en dat hij bijgevolg zowat iedereen had overleefd.

Superkoopman

Maar Berend Heringa, ver in de tachtig, bleek na een lange ambtelijke loopbaan van zijn oude dag te genieten op een boerderij in Zeeland. Hij was de zoon van een Groninger zandboer. Gelovig. Destijds actief lid van de Christelijk-Historische Unie en in vele opzichten de tegenpool van zijn baas. Op verjaardagen gaven ze elkaar altijd de verkeerde cadeaus. Dan stond Sicco daar bedenkelijk te kijken met een roman van Aart van der Leeuw in zijn handen, terwijl hij op de achterflap over mystiek en twijfel las. ,,Een boek moet waarheden bevatten, Heringa. Statistiek. Daar heb je wat aan.''

Henny ving de situatie in zulke gevallen op. ,,Niets van aantrekken hoor. Soms vraagt mijn man: `Wat lees je? Psychologie?' En als dat dan zo is, zegt hij geheid: als je het niet kunt bewijzen, zal het wel niks zijn.''

De bedaarde Heringa kon zich de intrede van de `atheïst Mansholt' nog haarscherp voor de geest halen. Er werd achter zijn rug om gelachen. ,,Wij zeiden: zo'n boer op het departement, die zal het nog moeilijk krijgen met de ambtelijke mores.''

Maar Mansholt, zo vertelde Heringa, trok zich van regels en gewoontes niets aan en ging onverstoorbaar aan het werk. De omstandigheden vroegen daar ook om, want er was nog maar voor een week eten in het land. Een kilo boter kostte op de zwarte markt 240 gulden. Suiker: 150. Tarwemeel: 50. Een mud aardappelen: 700. De varkensstapel was gehalveerd. De eerste maanden na de oorlog gingen volledig op aan het opkopen van voorraden.

,,Ik voelde me een soort superkoopman'', had Sicco over die periode gezegd. ,,De wereld was mijn markt en ik had maar één doel: kopen, kopen en nog eens kopen.''

Als het 's avonds laat geworden was, sliep de minister op een veldbed in zijn kabinet. Hij had er een echte jongenskamer van gemaakt, met een wandvullende kaart waarop hij met vlaggetjes de scheepsposities bijhield. Zat België krap in de suiker, en kon Sicco een suikerschip missen, dan stond hij het af in ruil voor een schip met vetten dat dan naar Rotterdam gedirigeerd werd. Toen de eerste bulkcarrier met Marshall-hulp de Rijnmond binnenliep, stond minister Mansholt in een Montgomery-jas naast de Amerikaanse ambassadeur op de kade.

,,WELKOM! Met blijdschap en dankbaarheid begroeten wij het eerste schip met Marshall-tarwe'', schreef hij namens het Nederlandse volk in de kranten.

Bulkcarriers, dat was precies wat Nederland nodig had. En: loyaliteit van boeren. Zij moesten het land weer van voedsel voorzien, maar door de schaarste waren ze geneigd eerst voor zichzelf te zorgen. Wat overschoot werd opgekocht door zwarthandelaars en speculanten. Om deze woekeraars te kunnen aanpakken, stampte Sicco een streng controleapparaat uit de grond, de voorloper van de Algemene Inspectie Dienst. Hij liet ook een keten verrijzen van duizend koelhuizen voor diepgevroren vis en groente. En twee dagen in de week hield hij toespraken in het land.

Toen de boeren van de ondergelopen Wieringermeer hem vroegen: ,,En wij? Wat moeten wij doen'', zei hij: ,,Pompen. En niet te veel kankeren.''

Een van zijn bestemmingen was Veendam, in het hart van de Groninger Veenkoloniën. Voor Mansholt was dat terra incognita. Hij was door en door vertrouwd met koolzaad, koren, kleigrond – het grote akkerbouwbedrijf. Maar met zompige moestuintjes, aardappelveldjes, rondpikkende kippen en vergelijkbaar kruimelwerk had hij minder op. Daarom vroeg hij advies aan een van zijn hoge ambtenaren, die op zijn beurt op Heringa afstapte: ,,Jij komt toch uit dat gebied rond Veendam? Wat zou de minister daar volgens jou moeten zeggen?''

Berend dacht aan zijn vader, die in het bestuur van de coöperatieve aardappelmeelfabriek zat. ,,Als de minister er goede stemming wil maken, moet hij de schulden van de aardappelmeelindustrie kwijtschelden'', opperde hij.

,,Zo, zo, schulden kwijtschelden'', had zijn superieur gezegd.

,,Ja, zodat ze met een schone lei kunnen beginnen.''

Mansholt vond het een prachtidee en ontbood de bedenker ervan meteen in zijn kabinet. Na een tijdje keek Sicco op en zei: ,,Jij bent lid van de CHU, hè.''

,,Ja, excellentie.''

,,Ik ben laatst eens nagegaan wie de domste politici zijn. Ik kwam tot drie. Toevallig zijn ze allemaal lid van dezelfde partij. Wil je weten welke?''

Corona

Heringa werd de enige CHU'er die Sicco in zijn nabijheid kon verdragen. Hun samenwerking neigde soms naar vriendschap, maar Sicco bewaarde het leidersoverwicht. Op een zeiltocht in Friesland – waarvoor Heringa samen met zijn zoontje was uitgenodigd – ging het eens bijna fout. Sicco had zo gecommandeerd dat Heringa's zoon na afloop zei: ,,Ik ga nooit meer mee met kapitein Mansholt.''

De zeldzame keren dat het gesprek op het geloof kwam, kapte Sicco de discussie met een kwinkslag af. ,,Zeg Heringa, die onbevlekte ontvangenis... Hoe ging dat precies?''

Met bravoure stortte hij zich op het ministerschap. Verscheen er een lasterlijk stuk in een regionaal blaadje, waarin de minister van Landbouw `lafheid in de oorlog' werd verweten, dan stapte hij in zijn dienstauto en reed naar het redactielokaal.

,,Heb jij dit geschreven'', vroeg hij aan de hoofdredacteur, zijn vinger op de gewraakte tekst. Een bevestigend knikje, en Mansholts vlakke hand striemde over zijn wang. Later in de Kamer excuseerde hij zich met de woorden: ,,Ik sloeg hem als mens, niet als minister.''

Heringa merkte dat Sicco je een sukkel vond als je hem naar de mond praatte. Als CHU'er (`ik deed dienst als klankbord') werd hij vaak meegesleept naar het Haagse Hotel Corona voor informeel overleg met PvdA-bewindslieden. Mansholt beschouwde hem als proefpersoon, op wie hij de uitwerking van zijn ideeën kon testen. Tijdens een van die sessies kwam Sicco met het plan om de bouw van nieuwe boerderijen te subsidiëren.

Toen hij het met de collega-ministers besproken had, vroeg hij: ,,En Heringa, wat vind jij ervan?''

,,Excellentie, u moet uw plan intrekken.''

,,Intrekken?!''

,,Ja, u neemt de wederopbouw te letterlijk. Het gaat erom dat u als minister voorwaarden schept.''

Heringa herinnerde zich dat Mansholts geloof in de maakbare samenleving onwankelbaar was, en het instrument – subsidies – heilig.

Atalanta

Tot aan Brussel had Heringa altijd `u' moeten zeggen, en `excellentie'. Sicco's trouwe adjudant wilde eerst niet mee naar België.

,,Al die huwelijken die in het buitenland kapot gaan'', zei hij.

Henny was met de kinderen in Wassenaar achtergebleven, ze zou pas komen als er een internationale school was. Zoals Heringa het omschrijft, woonde Mansholt de eerste tijd ,,in iets dat leek op een boudoir, met allemaal fijne stoeltjes en zo''. Op een zomerse avond in 1958 had Heringa zich laten overhalen om toch de overstap naar het wufte Brussel te wagen.

,,Mooi'', zei de vice-voorzitter van de Europese Commissie. ,,Zeg voortaan maar Sicco.''

Berend Heringa herinnerde zich de eerste vergadering van de EEG nog goed: negen commissarissen in een krap zaaltje op de tweede verdieping van een gebouw aan de Belliardstraat. Op tafel ligt het Verdrag van Rome. Dat geeft de heren twaalf jaar – verdeeld over drie etappes van vier jaar – om Europa van de grond te tillen. De Commissieleden hebben ideeën te over, maar geen potloden en geen papier. Sicco roept de liftbediende, stopt hem een handvol Belgische franken toe en stuurt hem de straat op om schrijfgerei te kopen.

,,Hij was de meest praktische van het gezelschap'', vertelde Heringa. ,,De rest hing er maar een beetje bij.''

Eurocommissaris Mansholt krijgt de verantwoordelijkheid over `landbouwzaken'. Hij slaat de verdragstekst erop na – artikel 38 tot en met 46 gaan over de landbouw – en begint. Douanebeperkingen voor agrarische producten opheffen. Eenparigheid invoeren in de prijzen, in twee stadia. Stuk voor stuk door hemzelf voorgestelde mechanismen uit `Le Pool Vert'.

Op conferenties her en der in Europa zwaait de Duitser Hallstein met de voorzittershamer, maar de meereizende journalisten begrijpen dat de eigenlijke macht bij Mansholt rust. Zij noemen hem de `Koning van Europa', omdat hij als enig Commissielid het oorspronkelijke idee van de Franse federalist Jean Monnet – om Europa te verenigen als antidotum tegen de oorlog – in praktijk brengt. Sicco herhaalt eenvoudig wat hij als minister in Nederland deed, ditmaal van Sleeswijk-Holstein tot Sicilië toe.

Toch scheelt het een haar of zijn plannen worden onderuitgehaald. Mansholts imposante bouwwerk van tariefmuren, spilprijzen en interventieplafonds wordt, na vier jaar in de steigers te hebben gestaan, eind 1962 ter keuring aan de zes ministers van Landbouw getoond. Alleen wanneer Frankrijk, Italië, Duitsland, Nederland, België en Luxemburg allemaal akkoord gaan, zullen de onderlinge grenzen verdwijnen – althans voor slachtkippen, spaghetti, vanillevla en wat niet al.

De vergaderrondes beginnen rond de kerst. Als generaals die hun landsgrenzen verdedigen, zo trekken de ministers zich krampachtig terug op hun nationale stellingen. Sicco probeert ze met tegemoetkoming uit de tent te lokken, maar wat een toezegging aan Italië is, houdt misschien een concessie van Frankrijk in, waar dan weer wat tegenover moet staan.

De dagen slepen zich voort. Heringa tekent lege tableaus, vellen papier verdeeld in zes vakken, die hij op een seintje van Sicco aanreikt. Met rode pen scherpt Mansholt-de-magiër zijn voorstellen aan: een iets gunstiger graantarief om tegemoet te komen aan de Duitsers, een beetje meer bescherming voor de Franse wijnboeren.

Het wordt 31 december, de eerste etappe van de Europese integratie volgens het Verdrag van Rome is verstreken. Er is nog niets bereikt. Als ook het landbouwdossier in de la verdwijnt, betekent dat: geen tweede etappe, geen voortgang, geen Europa.

Sicco laat de kalender op 31-12-1962 hangen. Veertien etmalen en vele sessies later, om half drie 's nachts, kliedert hij zijn laatste tableau vol. Pijltjes, haakjes, procenttekens. ,,Mijne heren, dit is het slot. Er is geen debat meer mogelijk. Eén woord van u en ik trek mijn voorstel in.'' Er stijgt gemor op, maar de rood aangelopen koppen zijn te moe of te murw om zich nog te verzetten. Sicco leest zijn laatste bod hardop en zonder haperingen voor, dan gaat hij het rondje af. Aan minister Schwarz van Duitsland is te zien dat hij aarzelt. Vijf landen zeggen `ja'. Schwarz doet zijn mond open, hij wil iets zeggen over de gevolgde procedure, maar wordt afgekapt. ,,Herr Minister! Ja oder nein?''

Als het verlossende woord eruit is, staat Sicco de wachtende pers in de gang te woord, alsof hij een douche van cameralicht neemt. Daarna laat hij zich voor een hazenslaapje naar huis chaufferen en om tien uur diezelfde ochtend staat hij alweer in werkmanskleren in de jachthaven van Brussel te schaven en te beitelen aan zijn Zeeuwse boot, de hoogaars Atalante. Zijn vrije zondag.

1963 was twee weken te laat begonnen, op 15 januari, maar nog net op tijd voor Sicco om op zijn eigen zilveren bruiloft aanwezig te zijn (de zeventiende). Voor zijn inmiddels studerende kinderen was het feest een goede gelegenheid om hun vader, schertsend maar daarom niet minder pijnlijk, op zijn familieplichten te wijzen. In het Mansholt-archief, dat inmiddels zo ver op orde was dat ik er terecht kon, vond ik een exemplaar van De Groninger-Gelderse Landbouwbode, een door de familie volgeschreven gelegenheidskrantje voor het 25-jarig huwelijk van Sicco en Henny.

Op het voorblad een rijtje annonces: `Getrouwd: Sicco L. Mansholt en Atalante Hoogaars'. Met in kleine letters: `Geen receptie wegens voortdurende afwezigheid'.

Daaronder: `Beslist betrouwbaar charmant Heer gezocht als substituutechtgenoot tijdens weekend wegens afwezigheid van de wettige'.

In het familieblad vertelt Henny over Sicco's `uithuizigheid op verjaardagen' en `zijn eeuwige zeilvakanties'. Een beetje zuur voegt ze daar aan toe dat haar man pas in bed stapt als zij er al weer uit moet. Moeder Wabien schrijft in haar bijdrage: ,,De beslommeringen nemen hem zozeer in beslag dat de huishoudelijke zaken schriftelijke herinnering behoeven.''

Een beetje zuur voegt Henny eraan toe dat haar man pas in bed stapt als zij er al weer uit moet

Frank Westerman De graanrepubliek; hoe de neergang van het boerenbedrijf onlosmakelijk is verbonden met de opkomst van het geslacht Mansholt. Uitgeverij Atlas, 255 pagina's, ƒ39,90. Verschijnt 15 april.