Kleinzoon I

,,Ik ben de vierde zoon van prins Oscar, Oscar was de vijfde zoon van keizer Wilhelm II'', zegt prins Wilhelm-Karl von Preussen, een buitengewoon aardige, gepensioneerde zakenman. Een vriendelijke dorpsvilla, in de woonkamer een paar achttiende-eeuwse vorstenportretten, dat is alles wat is overgebleven van het trotse beeld van de keizer, marcherend met zijn vijf zonen. Hij vertelt hoe de familie in 1945 alle landgoederen in Oost-Pruisen verloor, hoe hij hier na veel avonturen per fiets terechtkwam – zijn vader vluchtte te voet – en hoe hij hier een nieuw bestaan opbouwde in een internationaal familiebedrijf voor kleur- en smaakstoffen.

,,Ik heb mijn grootvader goed gekend, maar heel anders dan in de boeken wordt beschreven. Vanaf mijn vroegste jeugd logeerden we iedere zomer in Doorn. Hij was een echte grootvader, al was hij in het begin zwaar aangeslagen. Hij was van grote hoogte tot grote diepte gevallen, ook innerlijk. Zijn regeerperiode werd gekenmerkt door een bepaalde pompeuze stijl, en ook dat werd hem aangerekend. En mijn grootvader had misschien inderdaad wel te veel kunstzinnige en wetenschappelijke interessen. Hij zag in zichzelf de opvolger van de oude Pruisische koningen, maar in werkelijkheid was hij veel meer een vertegenwoordiger van het moderne Duitsland, en die tweeslachtigheid gaf natuurlijk fricties.

,,Hij mocht in Doorn kleine uitstapjes maken, ging soms bij een kennis op bezoek, maar verder had hij niet veel aanspraak. Men zegt dat hij daar elfduizend bomen heeft omgehakt, ik geloof dat niet zo, maar hij moest toch wat.''