Hollands Dagboek: Luuk Kroon en Richard Bos

Luitenant-admiraal Luuk Kroon voerde jarenlang het bevel over de Zeestrijdkrachten. Sinds een jaar is hij als chef Defensiestaf de belangrijkste informatiebron voor minister De Grave (Defensie). De oorlog om Kosovo is Kroons eerste oorlog als chef Defensiestaf. Hij is getrouwd met Annie Bouquet.

Woensdag 31 maart

Chauffeur Richard Bos rijdt me om 07.30 uur naar het Defensiecrisisbeheersingscentrum (DCBC). Vanuit dit deel van het ministerie van Defensie aan het Plein in Den Haag wordt de inzet van eenheden van de Nederlandse krijgsmacht in het kader van internationale vredes- en hulpverleningsoperaties aangestuurd. In het centrum wordt gewerkt met dienstploegen, waardoor de activiteiten dag in dag uit non-stop kunnen doorgaan.

Het doen en laten van de militairen en burgerambtenaren in het DCBC wordt al enige tijd vrijwel volledig bepaald door het verloop van de NAVO-acties tegen het regime in Belgrado. Dat geldt ook voor mijzelf. Ik betrap me er keer op keer op dat ik met mijn gedachten bij de crisis op de Balkan ben, ook wanneer ik dingen doe die daar geen verband mee houden. Met name het wel en wee van de Nederlandse militairen in het operatiegebied houdt me bezig. Zij worden zwaar belast, in het bijzonder de F-16 vliegers.

Nadat ik heb `teruggekoppeld' met mijn plaatsvervanger, luitenant-generaal Ad van Baal, en de sous-chef operatiën, brigade-generaal Joop van Reijn, begint om 09.00 uur de dagelijkse `briefing' van minister Frank de Grave, staatssecretaris Henk van Hoof en de bevelhebbers van de krijgsmachtdelen in het DCBC. De rolverdeling is goed. De bewindslieden geven het politieke kader aan voor de inzet van militaire middelen en dragen de eindverantwoordelijkheid; de militairen zijn belast met de uitvoering van de operaties. Zo loop je elkaar niet voor de voeten.

Voor de rest van de morgen houd ik mij aan het als altijd onwrikbare programma dat mijn immer opgewekte secretaresse Debby Rijkschroeff heeft opgesteld. Tijdens de lunch blader ik het knipselnieuws door. Wat mij opvalt is een ongebreidelde groei van het aantal stuurlui aan wal, officieren b.d. en deskundigen van andere herkomst. Zij weten precies wat de NAVO, het bondgenootschap waar ons land samen met inmiddels achttien andere landen lid van is, destijds tegen Milosevic en zijn trawanten had moeten ondernemen. We moeten maar (leren) leven met deze commentaren.

Debby zegt in de loop van de middag mijn voor vrijdag voorgenomen bezoek aan `Bredevoort Boekenstad' af. Burgemeester Brouwers van die gemeente had mij daarvoor uitgenodigd, omdat hij had gelezen dat mijn hobby boekbinden is. Ik vind het jammer, zeker ook voor mijn vrouw. Ook het voor vrijdagavond geplande operabezoek laat ik afzeggen. Ik had het, min of meer tegen beter weten in, zo lang mogelijk in de agenda laten staan.

Om 15.00 uur kijk ik naar CNN. De door dit medium getoonde beelden over de ontwikkelingen in, rondom en boven het voormalige Joegoslavië zijn van wezenlijk belang voor de persbriefing die dagelijks om 17.00 uur plaatsvindt in het Defensievoorlichtingscentrum.

In de tweede helft van de avond heb ik telefonisch contact met de Supreme Allied Commander Europe (SACEUR), de Amerikaanse generaal Wesley Clark, om met hem enkele opties te bespreken die ik tegen middernacht voorleg aan Frank de Grave. Daarna drinken wij samen een glas whisky. Tijd voor wat decompressie.

Donderdag

Om mijn vrouw niet wakker te maken stap ik om 06.30 uur met grote behoedzaamheid uit bed. De operatie leidt tot niets. Ze wordt wakker en zegt dat ze mee wil ontbijten, omdat ze me anders weer de hele dag niet ziet. De dag verloopt volgens het inmiddels vast geworden patroon: debriefings, voorbereidingen voor briefings, briefings, (telefoon)gesprekken, fax- en andere berichten.

Tussen de bedrijven door doe ik een aantal `gewone dossiers' af, onderwijl vanuit mijn ooghoeken de beelden van CNN volgend. Die worden beheerst door de drie Amerikaanse militairen die in Servische handen zijn geraakt. Een slechte ontwikkeling.

Vlak voor het begin van de persbriefing doet de minister mededelingen vanuit de ministerraad. Het licht staat op groen voor de uitzending van een artillerie-eenheid naar Macedonië en de uitbreiding van de humanitaire hulpverlening. Als ik `savonds laat thuiskom, zap ik nog langs een aantal tv-zenders om de laatste nieuwsbeelden te zien. Zo stuit ik op de film De tien geboden van Cecil B. de Mille over de slavernij en de uittocht van het joodse volk. Er zijn parallellen met de situatie waarin de Kosovaren op het ogenblik verkeren. Maar dan moet de internationale gemeenschap wel voor hun beloofde land zorgen.

Vrijdag

Ik begin de dag om 07.00 uur met het aanzetten van de televisie. Boven Kosovo wordt een wolkendek voorspeld. Dat is ongunstig voor luchtbombardementen, vooral als er tanks en voertuigen moeten worden geraakt.

Na de gebruikelijke start met debriefings en gesprekken over Kosovo stapt de bevelhebber der landstrijdkrachten, luitenant-generaal Maarten Schouten, binnen om van gedachten te wisselen over de toekomstige structuur van de landmacht. We kunnen goed met elkaar overweg. De onderlinge verhoudingen in de militaire top zijn überhaupt goed: de bevelhebbers en ik praten niet alleen over samenwerking, maar brengen die ook in de praktijk. Helaas is dat in het verleden wel eens anders geweest.

In de loop van de middag wordt duidelijk dat de media lucht hebben gekregen van het voornemen van het kabinet artillerie naar Macedonië te zenden. Na telefonisch overleg met de minister wordt besloten dat ik daar melding van zal maken in de dagelijkse persbriefing, ook al is de Kamer nog niet formeel op de hoogte gesteld.

Nadat ik met Joop van Reijn een groot aantal stukken heb doorgenomen met het oog op het overleg in het Catshuis, dat voor morgenochtend op het programma staat, kom ik om 20.00 uur thuis. Ik kan nog net meeëten. Mijn vrouw herinnert me eraan dat het Goede Vrijdag is. Ik had er nog geen ogenblik bij stilgestaan.

Zaterdag

Mijn vrouw gaat vandaag naar Hella Haasse, van wie zij enkele boeken in het Frans heeft vertaald. Ik moet haar beloven dat we met Pasen `iets samen gaan doen'.

Om 08.00 uur kom ik aan in het DCBC om de laatste stand van zaken te vernemen. De situatie met de vluchtelingen loopt steeds meer uit de hand, met name in Macedonië en Albanië. Enkele uren later informeer ik de minister-president en de ministers Van Aartsen en De Grave in het Catshuis over de actuele militaire aspecten van de crisis. Van hun kant maken de bewindslieden melding van hun recente internationale contacten. Evenals zijn collega's volgt de minister-president de gebeurtenissen op de voet, waarbij hij blijk geeft van een grote persoonlijke betrokkenheid.

Ik rij met Frank de Grave terug naar het DCBC, waar wij geconfronteerd worden met gruwelijke televisiebeelden uit Macedonië en Albanië. De minister bepaalt dat wat betreft de humanitaire hulpverlening door Defensie `alle registers moeten worden opengetrokken'.

Rond 15.00 uur kom ik thuis. Mijn vrouw is er nog niet. Daarom begin ik maar met de weekendpost, waarvan de omvang enige naam mag hebben.

In de loop van de avond ga ik toch nog maar een keer naar het DCBC. Ik constateer met voldoening dat er zowel in het centrum als in den lande alles aan wordt gedaan om de goederenstroom naar Macedonië op de kortst mogelijke termijn op gang te brengen.

Tegen middernacht word ik thuis gebeld door de directeur voorlichting, Hans van den Heuvel, die met enkele getrouwen naar het departement is gegaan om een persbericht over de humanitaire hulpverlening uit te geven. We zijn het er snel over eens dat de commandant van de vliegbasis Eindhoven, kolonel Leo van den Born, de aangewezen functionaris is om de pers te woord te staan wanneer morgenochtend de eerste vliegtuigen met hulpgoederen vertrekken.

Zondag (eerste paasdag)

De telefoon is vannacht stil gebleven. Gebeurt dat niet, dan gaat het vrijwel zonder uitzondering om een bericht uit het DCBC dat niet tot de volgende dag kan wachten, wat onder de huidige omstandigheden kan inhouden dat er iets is gebeurd met een van onze F-16 vliegers. Gelukkig is dat tot dusver niet het geval geweest.

Ik rijd om 08.30 uur naar het DCBC. De chauffeurs van de Defensiestaf vonden het niet leuk toen ik hun vertelde tijdens de paasdagen zelf te zullen rijden. Dat hangt samen met hun zeer te waarderen beroepstrots. Maar zij hebben ook recht op vrije paasdagen, vind ik.

Ik informeer de minister telefonisch over het verloop van de hulpverleningsoperatie. Er zijn vannacht meer dan vijfhonderd Defensiemedewerkers in touw geweest.

Rond het middaguur ga ik met mijn vrouw naar de Holland Art Fair. Een van onze beste vriendinnen, Marianne Berkö, exposeert. Ze verkoopt goed. Geen wonder, ze maakt schitterende dingen.

In de loop van de middag begin ik thuis de conceptantwoorden op de 247 Kamervragen over de hoofdlijnennotitie te lezen. De ondertoon van een niet te verwaarlozen aantal vragen is: kan Defensie wellicht nog meer inleveren? Ik moet weerstand bieden aan de verleiding er een keer onderaan bij te schrijven: ,,Denkt u dat er nooit meer een nieuwe Milosevic zal opstaan?''

Vrede is niet zo vanzelfsprekend als we vaak (willen) denken.

In de loop van de avond ga ik toch maar weer naar het DCBC.

Maandag

(tweede paasdag)

Ruim vóór het wekkersignaal word ik al om 06.00 uur wakker. Ik ga eerst op de benedenverdieping naar het tv-nieuws kijken en vervolgens, het is inmiddels 07.30 uur, verder met de weekendpost.

Al werkende groeit de bewondering voor de gelijkmoedigheid waarmee mijn vrouw accepteert dat ik thuis ben zonder er `echt te zijn'. Zij is een geweldige steun voor me.

Om 13.00 uur ga ik naar het DCBC. Frank de Grave komt ook. Een voortreffelijke man om mee samen te werken. Hij voelt feilloos aan wat er op ieders bordje behoort te liggen. Hij laat militairen de ruimte om hun werk te doen en bemoeit zich niet voortdurend met de gang van zaken. Even na 15.00 uur gaan we beiden naar het Catshuis, waar wordt gesproken over de informatieverstrekking aan het parlement.

Ik ben net op tijd terug voor de persbriefing van 17.00 uur. De opkomst is goed, zeker gelet op het feit dat het tweede paasdag is. Tien dagen geleden ben ik met gemengde gevoelens met de briefings begonnen. Niet, omdat ik het nut ervan niet inzie. Integendeel, de informatieverstrekking aan de media is ook voor Defensie van uitzonderlijk belang. Mijn terughoudendheid op dit punt heeft meer te maken met overwegingen van persoonlijke aard. Ik voel me namelijk op mijn best wanneer ik me tussen of achter de coulissen bevind.

Thuiskomst 20.00 uur.

Dinsdag

Voor de variatie weer eens een `gewone werkdag'. Chauffeur Eef Schreve rijdt me om 08.00 uur naar het Plein. Samen met Debby neem ik de agenda door: veel schrap- en schuifwerk.

Na de briefings ga ik naar de Trêveszaal om een bijdrage te leveren aan bewindsliedenoverleg over een brief aan de Kamer.

In het begin van de middag bestookt Debby mij met bezoekers en post. Daarna business as usual (briefings, enz.).

Tot verrassing van mijn vrouw kom ik al om 19.00 uur thuis, omdat een officieel diner geen doorgang vindt.

Woensdag 7 april

De dag verloopt anders dan de vorige in die zin dat het vaste patroon van `briefings' en gesprekken wordt onderbroken vanwege het officiële afscheidsbezoek van de chef van het militaire comité van de NAVO, de alom gewaardeerde Duitse viersterrengeneraal Klaus Naumann. Het bezoek is van alle franje ontdaan. De lunch duurt drie kwartier. Een dergelijk tempo heb ik bij officiële gelegenheden nog nooit meegemaakt. Klaus Naumann stelt het zeer op prijs dat twee van mijn voorgangers die hij goed kent, de generaals b.d. Arie van der Vlis en Henk van den Breemen, met hun echtgenotes zijn uitgenodigd.

Het echt zware en risicovolle werk wordt niet hier, maar door onze mensen in het operatiegebied verzet. Zij verdienen onze permanente steun en waardering.