`Geven en nemen en veel luisteren'

De Duitse componist Peter Ruzicka adviseert het Koninklijk Concertgebouworkest over het repertoire. ,,In Amsterdam zijn traditie en vernieuwing beide mogelijk,'' vindt hij.

Eén of twee keer per maand komt de Duitse componist Peter Ruzicka vanuit Hamburg naar Amsterdam om het Koninklijk Concertgebouworkest artistiek advies te geven over het repertoire. Ruzicka is de tijdelijke vervanger van Jan Zekveld, die drie jaar geleden ontslag nam als artistiek directeur. Zekveld voelde zich intern tegengewerkt in zijn streven naar repertoirevernieuwing. Volgens hem klonk er in Amsterdam te weinig 20ste-eeuwse en eigentijdse muziek. Bovendien was het artistieke beleid van het Concertgebouworkest hem te commercieel en werd het te veel gedicteerd door platenmaatschappijen en buitenlandse impresario's.

Nog steeds is er voor Zekveld geen opvolger gevonden, al hoopt het orkest dat nog voor de zomer wel te doen. Het artistiek beleid van het Concertgebouworkest verkeert daarmee al geruime tijd in een tussenfase. De afgelopen tien jaar is dat bijna voortdurend het geval geweest, na het overlijden van artistiek directeur Hein van Royen begin 1991. Het Concertgebouworkest streeft naar handhaving van tradities èn naar vernieuwing daarvan. De onlangs door Chailly gedirigeerde Matthäus Passion was daarvan een voorbeeld.

Peter Ruzicka is anderhalf jaar geleden aangetrokken als adviseur voor de vernieuwing van het repertoire. Van zijn woonplaats Hamburg is het naar Amsterdam maar een uurtje vliegen en voor Ruzicka betekent dat advieswerk nauwelijks een verhoging van de frequentie waarmee hij de laatste tien jaar toch al naar Amsterdam kwam. Als intendant van de Hamburgse Staatsopera bezocht hij bijna alle operapremières in het Muziektheater. En in het Concertgebouw luisterde hij vaak naar concerten van Chailly, met wie hij al twintig jaar bevriend is. Ruzicka was intendant van het Berlijnse Radio Orkest, waarvan Chailly chef-dirigent was voor hij in 1988 naar Amsterdam kwam. ,,We hebben samen veel programma's gemaakt. Chailly heeft de muziek van Zemlinsky en Varèse, die hij in Amsterdam heeft gedirigeerd, in Berlijn leren kennen. De Tiende symfonie van Mahler was in 1982 niet alleen zijn Berlijnse debuut, het was ook zijn eerste Mahler.''

Lovend is Ruzicka over het niveau van het Amsterdamse muziekleven. ,,Pierre Audi levert in het Muziektheater geweldig werk. Ik kan wel zeggen: `das Haus wird excellent geführt.' Amsterdam is nu een van de centra voor de Europese operacultuur. En het Concertgebouworkest behoort naast de orkesten van Berlijn en Wenen tot de drie belangrijkste in Europa.''

Peter Ruzicka (50) is kunstenaar, kunstmanager en kunstprofessor tegelijk. Hij is componist, dirigent en hoogleraar aan de Hamburgse hogeschool voor muziek en theater. Ruzicka is artistiek leider van de Münchener Biennale voor kameropera en hij werkt aan de opera Celan over de hermetische en zwaarmoedige dichter Paul Celan, die in 1970 zelfmoord pleegde door in de Seine te springen. Het libretto werd geschreven door Peter Mussbach, die de opera in 2001 zal regisseren bij de wereldpremière in Dresden.

Voor het toekomstige artistieke beleid van het Concertgebouworkest gaat Ruzicka uit van de unieke klank. ,,Die moet in stand worden gehouden met het blijven spelen van Bruckner en Mahler. Chailly heeft die klank inmiddels verder ontwikkeld door de programmering uit te bouwen in muziek van Messiaen en in de sensationele opnamen van het complete oeuvre van Varèse. Het orkest kan deze zeer luide muziek uitgebalanceerd spelen.

,,Dat de Wiener muziek van Varèse zouden spelen is onvoorstelbaar. In Amsterdam zijn traditie en vernieuwing beide mogelijk. Of het orkest nu Boulez, Varèse, of Hollandse muziek speelt, het doet dat met dezelfde concentratie als bij Mahler. Er is geen angst of afkeer van vernieuwing. Dat merk ik ook in de bijeenkomsten met de artistieke commissie. Het gaat daar heel democratisch toe. De musici staan open voor onbekend werk en muziek van deze eeuw, met dezelfde ernst en verantwoordelijkheid.''

Ruzicka is het dan ook niet eens met de constatering van Zekveld dat het artistiek beleid van het orkest te commercieel is en dat platenmaatschappijen de dienst uitmaken. ,,De Decca-cd's van Zemlinsky en Varèse – geen muziek die in grote aantallen verkoopt – weerspreken dat. De platenindustrie verkeert in een moeilijke situatie. Maar na het artistieke succes van de Varèse-box, was de eerste vraag van Decca: ,,welk vergelijkbaar project kunnen we met de muziek van een 20ste-eeuwse componist de komende jaren gaan aanpakken? Daaraan werken we nu, ik kan daar verder nog niets over zeggen.''

De `Nuis-norm', die de Nederlandse orkesten oplegt minstens zeven procent Nederlandse muziek te spelen, wordt door Ruzicka niet zo hoog opgenomen als het orkest aanvankelijk deed. Voor Ruzicka, zelf een componist, is eigentijdse muziek vanzelfsprekend en hij heeft duidelijk begrip voor de aandrang om meer Nederlandse muziek te spelen.

,,We hebben nu de verstandige oplossing bereikt dat we niet kijken naar de exacte quote, maar proberen om zoveel mogelijk Nederlandse muziek te spelen. Er is daar nog veel te ontdekken. Diepenbrock en Pijper, Escher, Schat, Verbey staan op het programma voor het volgende seizoen, daar gaan we mee door. Ik vind dat het mogelijk moet zijn om ook Nederlandse muziek te spelen tijdens buitenlandse tournees. Impresario's stimuleren dat inderdaad niet, maar Franse en Engelse orkesten spelen in het buitenland ook vaak eigentijdse muziek.''

Anders dan Ruzicka aanvankelijk dacht, vanwege het grote aantal gesprekspartners bij het orkest, vindt hij zijn functioneren als artistiek adviseur aangenaam. ,,De openheid, die hier heerst is prettig. Er wordt niet eindeloos gepraat zonder dat er beslissingen vallen. Het is natuurlijk wel geven en nemen en veel luisteren. Het is nog nooit gebeurd dat de chef-dirigent de ene mening had, de adviseur een tweede en het orkest een derde. Er is telkens een zekere mate van concensus.

,,Met Chailly is er grote vriendschap, al doet hij niet alles wat ik voorstel. Er zijn dingen waarmee hij niets kan. Ik heb me zelf erg bezig gehouden met de Zweed Alan Petterson, ik heb muziek van hem gedirigeerd, een requiem voor hem geschreven. Maar Petterson ligt te ver buiten het coördinatensysteem van een Italiaan. Dat geldt kennelijk voor meer Scandinavische muziek: Chailly houdt niet van Sibelius en al helemaal niet van Nielsen.

,,Chailly heeft ook lang geaarzeld om Beethoven te dirigeren. In de toekomst doet hij een cyclus `Beethoven plus'. Niet de klassieke Beethoven-cyclus, maar Beethoven en muziek die daarmee te maken heeft en daarop reageert. Het is fascinerend als een musicus uit zijn eigen specialisme treedt en wat nieuws ontdekt, zoals Boulez heeft gedaan, toen hij Mahler ging dirigeren. Zo is het bijzonder dat Chailly na de Matthäus Passion nog meer Bach gaat dirigeren en dat Harnoncourt zich bezighoudt met Bruckner. Ook al gaat het langs de afgrond of zelfs wanneer men daarin valt, zulke initiatieven houden de muziek levend. Het is geen museum.''