Duitse bouwput blijkt valkuil

Na de val van de Berlijnse muur en de Duitse hereniging tien jaar geleden leek Duitsland een eldorado voor bouwers. Ook veel Nederlandse bedrijven dachten van die vetpot te profiteren. Voor het gros werd het een grote deceptie.

Het leek zo'n goed idee van de Nederlandse bouwers: expansie zoeken op de Duitse markt. De val van de Berlijnse Muur en de daaropvolgende eenwording van Duitsland beloofden begin jaren negentig gouden tijden voor de bouwsector. Vooral in het voormalige Oost-Duitsland stond de bevolking te popelen om de grauwe woonkazernes te verruilen voor een aardige eengezinswoning, terwijl het Duitse bedrijfsleven massaal richting Berlijn trok om daar glimmendnieuwe kantoren neer te zetten.

Bij zo'n enorme vraag zou ook voor Nederlandse bouwers genoeg werk te vinden moeten zijn, redeneerden bedrijven als HBG, Volker Wessels Stevin, Ballast Nedam en Heijmans. En dus gingen zij enthousiast op pad om (al dan niet via een Duitse dochter) orders binnen te slepen.

Nu, tien jaar na de val van de Muur, is van die glorieuze toekomstperspectieven vrijwel niets meer over. Voor de meeste Nederlandse bouwers is de Duitse markt een bittere deceptie gebleken. De economie van Duitsland, die na de hereniging een enorme opleving doormaakte, stortte rond 1994 volledig in elkaar. Bedrijven zagen af van ambitieuze plannen, overheden schroefden hun bestedingen terug, terwijl de bevolking de buikriem aanhaalde.

De grootste strop in Duitsland leed de Rijswijkse HBG. De aankoop van het Duitse bedrijf Wayss & Freytag bleek vorig jaar een beerput van ellende. Langdurig mismanagement en gebrekkig toezicht hadden ertoe geleid dat het bedrijf, waarvoor HBG `slechts' 200 miljoen mark had neergelegd, een sterk verliesgevende orderportefeuille in vastgoed had opgebouwd. Inmiddels is HBG in Duitsland een ingrijpende reorganisatie verder en is de orderportefeuille al enkele keren sterk afgewaardeerd. ,,In totaal heeft Wayss & Freytag ons nu 800 miljoen gulden gekost'', zei HBG-bestuursvoorzitter J. Veraart vorige maand.

Ook Wilma, Heijmans, BAM en NBM-Amstelland kwamen er op harde wijze achter hoe moeizaam de expansie in Duitsland verloopt – zelfs al zou de economie zich er minder somber hebben ontwikkeld. De Duitse bouwmarkt zit gewoonweg anders in elkaar dan de Nederlandse: regels zijn strakker, eisen van consumenten liggen hoger, terwijl de marges voor bouwers lager liggen. Ander belangrijk verschil: de financierbaarheid van de huizen voor potentiële kopers. Anders dan in Nederland, waar de overheid via belastingaftrek het bezit van een eigen woning sterk stimuleert en waar banken bereid zijn de volle koopsom via een hypotheek te financieren, moet de Duitse bevolking een eigen huis bijna volledig bij elkaar sparen. Bij economische tegenwind wordt de haalbaarheid hiervan snel kleiner.

Bouwconcern BAM realiseerde zich een paar jaar geleden al dat het weinig zin had in Duitsland te blijven. Eind 1996, amper drie jaar nadat BAM er zijn entree maakte, blies het bedrijf de aftocht. Enig resultaat: een verlies van 40 miljoen gulden en een portie geknakte trots. Branchegenoot Wilma, die al sinds 1995 verliescijfers voor de Duitse activiteiten bekend moet maken, heeft naar eigen zeggen de zaak nu op orde. De sanering heeft volgens het bedrijf bijna 100 miljoen gulden gekost.

In de bouwkrant Cobouw liet Luud Maas, eigenaar van het familiebedrijf Wilma (waarvan de Nederlandse activiteiten nu bij NBM-Amstelland horen) onlangs weten dat de Duitse Wilma-poot over 1998 weer in de zwarte cijfers terecht is gekomen en ,,dat dit lopende jaar het eindresultaat zelfs met dubbele cijfers zal kunnen worden geschreven''.

NBM-Amstelland, dat ongeveer vijf jaar geleden de stap naar Duitsland waagde, loopt tegen dezelfde problemen op als de collega's. Dit concern, dat zijn omzet nu vrijwel volledig in Nederland haalt, wil zijn internationale aspiraties nog niet helemaal opzij zetten, zo bleek deze maand bij de presentatie van de jaarcijfers. Op de vraag of NBM-Amstelland nog wel op de Duitse markt moest blijven antwoordde bestuursvoorzitter A. Baar: ,,Wij zijn een club die zegt: `Als we ergens aan beginnen, maken we het ook af'. Maar het is duidelijk dat iedereen daar een scheur heeft opgelopen. Wij dus ook.''

Die scheur is voor Baar niet onaanzienlijk: hij moest het jaar in Duitsland afsluiten met een operationeel verlies van 26 miljoen gulden en een afschrijving van 30 miljoen gulden op de orderportefeuille van 250 miljoen.

Er is één succesverhaal: Volker Wessels Stevin. Dit bedrijf (vorig jaar ontstaan uit een fusie tussen Volker Stevin en Kondor Wessels) is de enige onder de grote Nederlandse bouwconcerns die zich in Duitsland met winst staande weet te houden. Het bedrijf, dat nu circa tien procent van zijn omzet in Duitsland haalt, kondigde vorig jaar zelfs een nieuwe overname in dat land aan – haaks op de ontwikkeling bij branchegenoten die hun Duitse activiteiten op een laag pitje zetten. Verklaringen voor welslagen van Volker Wessels Stevin zijn onder meer dat het via Kondor Wessels al heel lang ervaring heeft met de Duitse bouwmarkt en dat de onderneming er direct na de eenwording in is geslaagd grond in en om Berlijn te kopen.

Topman Baar van NBM-Amstelland gaf een eenvoudige verklaring voor het succes van zijn concurrent: ,,Ze waren er als eersten. De rest was allemaal te laat.''