Aardse paradijzen

De tentoonstelling Aardse paradijzen 2: De tuin in de Nederlandse kunst 1770-2000 in het Frans Halsmuseum in Haarlem is niet de plaats voor iemand die tuintips zoekt. Maar het was een opwindende ontdekking dat ik in mijn volkstuin de Jacob van Looy-look vorige zomer al had: een schilderij vol Oost-Indische kers, oranje en rood, in waanzinnige overvloed, die zijn hele tuintje aan de Rustenburgerstraat in Amsterdam moet hebben gevuld. Toen hij het huis betrok, schreef Van Looy dat het ,,een klein tuintje had waar ze [zijn toekomstige vrouw Titia] naar hartelust kan zaaien''.

Een van de vele voordelen van de Oost-Indische kers is dat één seizoen van `naar hartelust zaaien' genoeg is; het komt ieder jaar vanzelf terug. Het is nu niet gemakkelijk meer te geloven, als je door de natte volkstuin baggert, dat de mijne er ooit zo uitzagen als op dat schilderij van Van Looy. Maar dat deden ze, en tussen hun vergane stengels liggen honderden zaden, klaar voor de komende zomer.

Verder zijn er niet veel dingen op die tentoonstelling die je zou willen nadoen, behalve misschien de foto van Jacob Olie van een familie met een geschilderde decortuin achter zich: ach, als je zoiets eens vóór je echte tuin op kon hangen, op dagen dat die er niet zo geweldig uitziet. De foto heeft een soort Magritte-effect doordat de mensen warme winterkleren aan hebben, terwijl de bomen achter ze in vol zomers blad staan.

Onze tuin, midden in de stad en ommuurd, zou in de negentiende eeuw heel goed iets geweest hebben kunnen zijn in de geest van het hierbij afgebeelde schilderij van Johan Heinrich Neuman, voorstellende de tuin van de familie Metelerkamp in Utrecht. Er zijn veel verschillende planten, zelfs een oranjeboompje en andere exotische planten in potten. Ook nu hebben mensen fantastische plantencombinaties in hun tuinen, maar ze zien er niet meer zo uit als deze. Het kronkelpad en het geschoren cirkelvormige stukje gazon dateren het even nauwkeurig als de kleren van de eigenaars. De Metelerkampen zien er niet uit of ze ooit zelf iets aan de tuin deden; tegenwoordig zouden de eigenaars in hun tuin geposeerd hebben in tuinkleren, of in elk geval met een snoeischaar in de hand.

Een paar bladzijden verder in de catalogus vinden we een moderne versie van dit tafereel, een nadrukkelijk geposeerde foto, genomen rond 1970 in de tuinen van Mien Ruys in Dedemsvaart. De overeenkomsten zijn verbluffend: de vader ook weer met een boek, ditmaal er in lezend, de moeder met een volle mand snijbloemen, netheid en orde wat de klok slaat, veel verschillende soorten bloemen die allemaal hun plaats weten. Maar de lijnen die gebogen waren in 1850 zijn nu recht en de kinderen zijn anders. In 1850 speelt de jongen met een rijzweepje, zodat je kunt zien dat hij ook andere activiteiten beoefent, terwijl in 1970 in feite de kinderen zijn die tuinieren, een van ze duwt een kruiwagen voort en de ander plaatst een pot met een plant.

Volgens de tekst straalt dit familietafereel `zonnigheid en optimisme uit' maar het leek mij meer iets dat tuinieren een slechte naam geeft. Als je zo'n afbeelding ziet denk je dat bijna alles beter is dan tuinieren: werken als ouvreuse in een bioscoop, een lift bedienen, of wat dan ook, zolang het maar binnenshuis is. Gelukkig zijn er ook meer inspirerende beelden – een `Extase' van Pyke Koch waarin iets gebeurt dat je helaas niet goed kunt zien – en beelden van moestuinovervloed, die ik altijd aantrekkelijk vind en die minder beïnvloed worden door modes.

Een kwekerij, dat zou om deze tijd van het jaar een goed onderwerp zijn om te schilderen, vol mensen verleid door iedere plant in zicht en wanhopig proberend niet te veel uit te geven. Een van de adviezen die ik lang geleden ter harte heb genomen is dat je, als je een kwekerij bezoekt, niet alleen maar planten moet kopen die op dat moment in bloei staan. Dat zijn vanzelfsprekend de aanlokkelijkste, die dicht bij de kassa worden gezet om impulsaankopen te stimuleren, en het gevolg is dat je een tuin krijgt vol met planten die allemaal tegelijk bloeien, vroeg in het voorjaar, de tijd dat je de kwekerijen bezoekt. Heel goed advies uiteraard, maar je kunt het ook zo serieus opvolgen dat je dan helemaal niets meer hebt dat in het vroege voorjaar bloeit.

Zo heb ik mij kortgeleden de genieting veroorloofd om de deur uit te gaan en opzettelijk iets te kopen dat in bloei stond, ook al omdat ik een deel van de tuin, verwoest door het bloeien en afsterven van de bamboe, nu opnieuw moet beplanten. In plaats daarvan heb ik nu een bos droge bamboestokken uit eigen kweek – heel droevig – en een Forsythia suspensa. Forsythia's zijn nu heel zichtbaar, met heldergele bloemen op kale takken; er zijn er op het ogenblik zoveel dat je de gedachte de kop moet indrukken dat het beter zou zijn ze van nu af aan nooit meer te planten. Ik had niet gedroomd er nog eens een te zullen hebben – het is opmerkelijk hoe anders een plant wordt als je er zelf een van hebt. De mijne staat discreet tegen een schutting, niet in zo'n voortuin waar hij vloekt met de roze tulpen; ook is F. suspensa minder fel van kleur dan sommige andere cultivars.

Schilderijen van tuinen zijn als forsythia's: veel ervan heel deprimerend, maar toch interessant als je beter kijkt. De betekenis van tuinen is door de eeuwen heen veel veranderd, van statussymbool in 1850 tot knusse familierecreatie in 1970; en dezer dagen is zij op weg naar een ecologische lusthof waarin noch het oranjeboompje noch de potplant een plaats heeft.

Hoe zal het aardse paradijs er uit zien over nog eens honderd jaar? Zal de moeder nog bloemen plukken? Zal de vader zijn boek al uit hebben?