Zegenrijk geouwehoer

Lieve jongens behoort niet tot de meest populaire boeken van Gerard Reve. Voordat het werd opgenomen in het nu verschenen tweede deel van zijn Verzameld Werk, heeft het slechts vier drukken gekend, wat voor een schrijver als Reve weinig is. Niemand zal ook meteen naar Lieve jongens grijpen, als hij nog niets van de zelfbenoemde `volks-schrijver' heeft gelezen. Maar als dat nu eens wèl gebeurde? Wat een bizarre, wonderlijke indruk moet deze collectie sprookjesachtige bedverhalen, `revistische' fantasieën en ronduit zotte anekdoten niet maken op een onvoorbereide lezer. Met niets in onze literatuur is dit boek, dat amper een roman mag worden genoemd, te vergelijken.

Toch was Lieve jongens, toen het in 1973 verscheen, het boek dat voor het eerst enige afbreuk deed aan de welhaast unanieme verering die Reve sinds de jaren zestig ten deel was gevallen. Een aantal lezers en critici hield het ditmaal voor gezien. Hoewel er nog alom werd gegrinnikt om de wind in het wijnglas en de `ongehoorde, alle menselijke hoop uitdovende putlucht' die deze verspreidde, was de betovering verbroken. Lieve jongens bleek in veel opzichten een herhaling, inclusief de komische bezoekjes aan de vorstin, van het veel succesvollere De taal der liefde uit 1972, en Reve's standaardreactie op het verwijt dat hij zichzelf herhaalde (`Ik vraag mij af, hoe ik een ander zou moeten herhalen', heet het al in de Pleitrede voor het Hof uit 1967), wist niet meer iedereen te overtuigen.

Het aardige van dit Verzameld Werk (waarvan het eerste deel vorig jaar verscheen, ter gelegenheid van de vijfenzeventigste verjaardag van de auteur) is dat het een goede gelegenheid biedt de merkwaardige ontwikkeling van dit schrijverschap nog eens na te gaan. Het heeft lang geduurd voordat Gerard Kornelis van het Reve (aanvankelijk Simon van het Reve) Gerard Reve werd, de naam die met ingang van Lieve jongens boven al zijn boeken zou prijken. De eerste vijftien jaar van zijn literaire leven werden overschaduwd door zijn spraakmakende debuut De avonden (1947), waarvan Reve het succes vóór Op weg naar het einde (1963) niet meer zou evenaren, laat staan overtreffen. Zelfs schitterende novellen als De ondergang van de familie Boslowits en Werther Nieland brachten daarin geen verandering, alle lof van de kritiek ten spijt.

In de jaren vijftig maakt Reve dan ook vooral een ietwat stuurloze indruk, als een schrijver die niet alleen op zoek is naar een publiek, maar ook naar een stijl, een vorm. En zelfs naar een taal, als we zijn Engelse avontuur in aanmerking nemen, dat onder meer leidde tot de novelle Melancholia (1951) en The acrobat and other stories (1956), waarvoor het Angelsaksische publiek geen belangstelling wenste op te brengen. Een wanhopige poging iets anders te bedenken was ook de bundel Tien vrolijke verhalen uit 1961, waarin Reve zijn krachten beproefde op het genre van de `short story'. Met matig resultaat, want de zwarte humor gaf deze verhalen weliswaar een soort `vrolijkheid' die bij hem paste (ook in de zieke grappen van Frits van Egters zijn er talloze voorbeelden van te vinden), maar de strakke vorm bleek toch een keurslijf dat zijn talent eerder beklemde dan stimuleerde.

In nog sterkere mate moet dat laatste het geval zijn geweest bij zijn pogingen zich als oorspronkelijk toneelschrijver een plaats te veroveren. Als redacteur van Tirade had hij zich al aan diverse recensies van toneelstukken gewaagd en daarin valt op hoe verkrampt zijn visie op het theater kon uitpakken. Reve was er van overtuigd dat het toneel werd geregeerd door `onwrikbare, van de tijd en de heersende smaak onafhankelijke wetten', waarvan hij er in het bloedserieuze artikel Konflikt en typering van de tragedie (1960) een aantal formuleerde. Groot toneelwerk is er (afgezien van zijn wèl geslaagde vertalingen van onder anderen Albee en Pinter) niet uit voorgekomen. De tragedie Commissaris Fennedy, die zijn meesterproef had moeten zijn, werd een pijnlijke teleurstelling.

Reve bewees in die jaren hoezeer een schrijver zich met zijn eigen ideeën in de weg kan zitten. `In de gehele schepping, voor zover wij die kunnen onderzoeken, vinden wij orde en wetmatigheid, en de kunst, al ontstaat zij door een nog zo samengesteld proces van menselijke activiteit, kan hierop geen uitzondering zijn', lezen we in het eerder genoemde artikel. Het is de houding van een classicist, die zijn ware - romantische - inborst nog moet ontdekken. Het gevecht tegen de `chaos', dat hier door literaire orde en wetmatigheid moet worden bezworen, kon pas geslaagde kunst worden nadat hij dat gevecht zelf tot inzet van zijn schrijven had gemaakt.

De vergissing komt erop neer dat hij dacht die orde eerst, op een theoretisch niveau, te moeten verwerven, alvorens aan de slag te kunnen. Terwijl achteraf bleek dat die orde vanzelf ontstond, zij het niet dankzij literaire regels en wetten maar dankzij stijl en toon, toen hij er min of meer bij toeval de vrije vorm van de `reisbrief' voor had gevonden.

Het is typerend voor de ernst, om niet te zeggen de verbetenheid, waarmee Reve toentertijd naar orde en wetmatigheid hunkerde, dat hij er aanvankelijk niet eens in slaagde zijn reisbrieven, naar eigen zeggen geschreven om de kopijnood van Tirade te lenigen, volkomen serieus te nemen. Alsof iets dat relatief zo gemakkelijk tot stand kwam nooit echte, waardevolle literatuur zou kunnen zijn. Pas de enthousiaste reacties van de buitenwereld moeten hem over de streep hebben geholpen.

Erg lang heeft de aarzeling niet geduurd, want al in 1962, vlak na de publicatie in Tirade van de `Brief uit Edinburgh', schrijft hij aan Josine Meyer: `Ja, het is wonderlijk dat je een half leven niet in de gaten hebt, dat je over jezelf en je gehele zelf moet schrijven. Gek overigens, dat ik mijn reisbrief eerst slecht, rommelig, pateties & goedkoop vond, & pas nu de vorm & strekking kan waarderen'. Uitgever Geert van Oorschot wist hem vervolgens over te halen om de reisbrieven te bundelen en als boek te publiceren.

The rest is history, zou je kunnen zeggen. Met Op weg naar het einde en Nader tot U groeide Reve uit tot een soort nationaal geweten, publiekelijk worstelend met de drank, de liefde, de dood en de religie, terwijl half Nederland er de adem bij inhield. Herlees je beide brievenboeken nu, dan valt op hoezeer Reve bezig is zichzelf, als schrijverspersoonlijkheid, uit te vinden. De humor is in veel opzichten nog altijd dezelfde als die van Frits van Egters, maar nu komt zij uit de mond van de schrijver zelf, die zich in zijn bekentenissen omtovert tot zijn eigen personage. Het loont de moeite deze literaire brieven te vergelijken met de `gewone' brieven die hij tezelfdertijd schreef, bijvoorbeeld aan Josine Meyer. Vaak komen daarin dezelfde zaken aan bod, soms zelfs in gelijke bewoordingen, maar zonder de bewuste zelfstilering die in de reisbrieven van het schrijven een existentieel avontuur maakt, de vertolking van iets dat destijds duizenden lezers in het hart wist te raken.

Nog altijd is het adembenemend om deze coming out, niet zozeer van de homoseksueel als wel van de schrijver, te volgen. Het moeizame geploeter op de tientallen versies van de (voor een deel nooit gepubliceerde) verhalen en romans moet er wijken voor de literair aanmerkelijk soepeler confrontatie met de echte problemen: de depressies, het immer dreigende alcoholisme, de met `revistische' erotiek vermengde religieuze hartstocht, waarvan de ernst - zeker na het geruchtmakende `ezel-proces' - eigenlijk door niemand meer in twijfel kon worden getrokken.

Dat menigeen dat indertijd toch deed, onderstreept alleen de wonderlijke aard van Reve's populariteit. Net als zijn `kunstbroeder' W.F. Hermans werd Reve op handen gedragen door een publiek, dat nauwelijks met zijn inzichten inzake politiek, samenleving en religie kon instemmen. Terwijl Nederland zich opmaakte voor een `ludieke' revolutie, benadrukte Reve (in Op weg naar het einde) juist zijn `konservatief standpunt' en zijn `autoritaire instelling'. En terwijl de kerken leegstroomden, bekeerde hij zich tot het katholicisme. Ook in zijn geval kan het niet anders, of aan alle bewondering lag wat dit betreft een achteraf verbazingwekkend misverstand ten grondslag.

Alleen in literair opzicht is er minder reden tot verbazing. Reve's taalgebruik, met zijn archaïsche en bijbelse reminiscenties, moet de meeste lezers zeer vertrouwd zijn voorgekomen. Hij hanteerde een register dat zij nog niet zo lang tevoren, zij 't minder virtuoos bespeeld, elke zondag vanaf kansel en preekstoel konden vernemen. En de vaak tot hilariteit en slappe lach uitnodigende humor, die het geheel een even dubbelzinnige als ironische kwaliteit verleent, kwam wonderwel tegemoet aan de oneerbiedigheid waarmee de religieuze ernst van weleer nu tegemoet werd getreden. Met zijn proza vertolkte Reve een overgangsstemming, waarin velen zich herkenden, en dat bij hem de overgang in tegengestelde richting plaatsvond was daarbij kennelijk van ondergeschikt belang.

Reve's literaire meesterschap is ook indrukwekkend, nog altijd. Dat geldt voor de beste passages van Op weg naar het einde en Nader tot U, en niet te vergeten geldt het voor Veertien etsen van Frans Lodewijk Pannekoek voor arbeiders verklaard uit 1967, in zijn beknopte eenvoud misschien wel het meest volmaakte dat hij destijds heeft geschreven. Zonder dat de grappen een al te opzichtig tegenwicht vormen, verkeert de jolige zwaarmoedigheid die Reve's handelsmerk was en is in deze amper twintig bladzijden in een benijdenswaardige balans. Zelden is Reve erin geslaagd zo goed te beantwoorden aan zijn verlangen om in bijna niets, een paar anekdoten, een terloopse herinnering aan een gestorven mooie jongen en veel zegenrijk geouwehoer, `alles' te zeggen.

Even volmaakt, maar veel minder aangrijpend, is het meesterschap in De taal der liefde en Lieve jongens. Ook daarin gaat het over bijna niets, maar het stilistisch vernuft mist er de charme van de ontdekking en vertoont bovendien zoveel camp-achtige trekken, dat je er alleen nog om kunt lachen. Om het eigenzinnige, onvergelijkelijke karakter van deze beide boeken (en van veel dat nog zal volgen in de vier latere delen van het Verzameld werk) volledig naar waarde te schatten, zou je alles wat eraan vooraf is gegaan moeten kunnen wegdenken.

Maar zelfs als het mogelijk was, dan nog is er, denk ik, niemand onder de bewonderaars van Reve's werk uit de jaren zestig die dat werkelijk zou willen.

Gerard Reve: Verzameld Werk. Deel I en II. L.J.Veen, 870 en 765 blz. ƒ89,90 en ƒ79,90