Westers losgeld houdt slavenroof in leven

Een VN-rapporteur repte deze week van slavernij in Soedan. Ook elders in de Sahel blijkt dit een diepgewortelde, weerbarstige praktijk. Burgeroorlog en vrijkoping door Westerlingen verergeren het probleem.

Lang voordat Portugezen en Spanjaarden de Transatlantische route openden, was slavenhandel al een gangbare praktijk rond de Sahara. Met het `schip der woestijn' als vervoermiddel, zwart Afrika als reservoir en de Arabische wereld als afzetgebied. Toen de koloniale mogendheden en de Verenigde Staten de slavenhandel tussen Afrika en Amerika begin negentiende eeuw verboden, ging de `verscheping' van slaven langs de Sahara-routes door. De Fransen stelden de slavernij in Mauretanië pas in 1905 buiten de wet, een eeuw na de sluiting van de slavenmarkten in West-Indië. Saoedi-Arabië was in 1962 het laatste land dat een einde maakte aan de wettelijke status van de slavernij.

In de Noord-Afrikaanse ksar, versterkte handelsposten met kamelenmarkten aan de rand van de woestijn, kan men donkere types aantreffen wier grootouders nog abid (slaven) waren. De status van hun zwarte nakomelingen in Marokko, Algerije, Tunesië en Libië is bedroevend laag. In de Sahel (Arabisch voor `kust'), landen aan de zuidelijke boorden van de Sahara, bestaan meester-knechtverhoudingen tussen lichtgekleurde nomaden en zwartere Afrikanen, die dateren uit de slaventijd.

In twee landen aan de zoom van de Sahara leidt de slavernij een hardnekkig bestaan. In de kastensamenleving Mauretanië houden de Berber-Arabische bidan (witte mensen), door de Fransen Moren genoemd, nog steeds zwarte slaven. Hun aantal werd in 1994 geschat op 90.000. In Soedan ondernemen half-Arabische nomadenstammen als de Baggara rooftochten in het door zwarten bewoonde zuiden. In dorpen van de veehoudende Dinka maken zij vrouwen en kinderen buit, die zij tewerkstellen of verkopen als slaven.

Na de Amerikaanse organisatie Human Rights Watch en het kinderfonds van de Verenigde Naties, UNICEF, heeft nu ook de VN-rapporteur voor de rechten van de mens in Soedan, de Argentijn Leonardo Franco, gewaarschuwd dat de burgeroorlog tussen het zwarte zuiden en het dominante Arabische noorden de nooit helemaal uitgebannen slavernij in dat land nieuw leven heeft ingeblazen.

Als onderdeel van haar antiguerrillastrategie bewapent de regering in Khartoum sinds het midden van de jaren tachtig gearabiseerde stammen wier woongebied ligt op het breukvlak tussen noord en zuid. Deze tribale milities – murahelin – worden aangespoord tot rooftochten tegen Dinka-dorpen die de regering verdenkt van steun aan het Soedanese Volksbevrijdingsleger (SPLA) van John Garang. Daarbij steekt het oude slaven halen de kop weer op.

Franco's voorganger als VN-rapporteur, de Hongaar Gaspar Biro, schreef na een bezoek aan Soedan in maart 1995: ,,Ontvoerde kinderen worden dikwijls naar kampen gestuurd die fungeren als twintigste-eeuwse slavenmarkten.'' De prijs varieert met het aanbod. The Economist schreef dat in 1989 een vrouw of kind zo'n 90 dollar opbracht. In 1990, toen de overvallen op Dinka-dorpen in frequentie toenamen, daalde de prijs tot 15 dollar. Volgens de Amerikaanse ambassade in Khartoum wordt een deel van deze Dinka-slaven per vrachtwagen naar Libië vervoerd.

Abuk Thuc Akwar, een 13-jarig meisje, werd in 1989 met 24 andere kinderen ontvoerd door een Baggara-militie, gedwongen noordwaarts te lopen en verkocht aan een boer. Abuk vertelde aan de in Londen gevestigde organisatie Anti-Slavery International dat zij ,,overdag in zijn gierstveld moest werken en 's nachts zijn bed moest delen. Tijdens de mars naar het noorden was zij verkracht en uitgemaakt voor `zwarte ezelin'.''

De groep Christian Solidarity International (CSI), geleid door barones Cox, een vice-voorzitter van het Britse Hogerhuis, heeft de Soedanese regering ervan beschuldigd rechtstreeks betrokken te zijn bij deze slavenhandel. Veel Dinka's, onder wie John Garang zelf, zijn christenen en het moslim-fundamentalistische bewind in Kartoum geldt in CSI-kring als belichaming van de antichrist. Een ander Hogerhuislid, de liberaal-democraat Lord MacNairn, reisde in 1997 door Soedan en kwam tot de conclusie dat de slavernij herleeft in afgelegen gebieden waar de regering nauwelijks controle uitoefent, maar dat ,,er geen aanwijzingen zijn voor een centraal georganiseerde, door de regering geleide handel''. McNairn sprak ook met dorpshoofden die zich vooral zorgen maakten over de ontvoering van Arabische en Nuba-kinderen door Garangs SPLA en over hun gedwongen inlijving in diens leger.

Sinds 1995 zijn in Soedan Europese en Amerikaanse christenen actief die Dinka-gemeenschappen helpen bij het vrijkopen van door Baggara ontvoerde vrouwen en kinderen. Het geld wordt op tafel gelegd door kapitaalkrachtige Westerlingen. Zij doen denken aan de Venetiaanse kooplieden die eeuwen geleden christenen vrijkochten in de Barbarijse zeeroversnesten Tunis en Algiers. Deze alternatieve handel heeft inmiddels grote vormen aangenomen: in januari van dit jaar werden in Soedan 1.050 Dinka-vrouwen en -kinderen met Westers geld vrijgekocht.

UNICEF en Human Rights Watch hebben vorige maand gewaarschuwd dat het vrijkopen van slaven geen oplossing biedt en het probleem juist vergroot. Halverwege de jaren tachtig, toen de gewapende rooftochten van de murahelin in het zuiden begonnen, waren de Baggara vooral uit op vee en was het halen van slaven een bijkomstigheid. Sinds het buitenland geld neertelt voor buitgemaakte vrouwen en kinderen, lijkt ontvoering het hoofddoel te zijn geworden. Het vooruitzicht op geldelijk gewin weerhoudt de Baggara van traditionele overeenkomsten met de Dinka, waarbij slaven worden vrijgekocht in ruil voor toegang tot zuidelijke weidegronden. Zo staat Westers losgeld vrede in de weg en blijft de slavenroof in leven.

Bij de politiek getinte belangstelling voor de slavernij in Soedan – dat in Washington geldt als een ,,broedplaats van internationaal terrorisme'' – valt de aandacht voor Mauretanië in het niet. Alleen het Londense Anti-Slavery International, 's werelds oudste organisatie voor de rechten van de mens, en de door Afro-Amerikanen opgerichte American Anti-Slavery Group in Massachusetts bekommeren zich om de zwarte onderkaste van dit westelijke Sahelland. In de voormalige Franse kolonie Mauretanië – voor tweederde woestijn en bewoond door slechts 2 miljoen mensen – is het houden van slaven sinds de onafhankelijkheid in 1960 tot driemaal toe bij wet verboden, maar blijft het een hardnekkige praktijk.

De laatste keer dat de slavernij werd afgeschaft, was in 1981. Artikel 2 van deze ordonnantie bepaalt dat slavenhouders recht hebben op compensatie, maar niet wie deze moet betalen. En zolang zij de wettelijk voorgeschreven vergoeding niet ontvangen, houden de Berber-Arabische of `Moorse' Mauretaniërs, naar schatting 30 procent van de bevolking, zwarte slaven (haratan). De voorvaderen van de haratan behoorden tot zuidelijke volken, zoals de Toucouleur, Peul en Wolof. Zij werden ooit buitgemaakt door Moorse slavenhalers en bekeerd tot de islam. De Koran verbiedt dat een moslim-broeder tot slaaf wordt gemaakt, maar in Mauretanië – en een groot deel van de Arabische wereld – is het raciale hemd nader dan de religieuze rok.

Onvrije haratan worden beschouwd als eigendom van hun meesters, worden weggegeven als huwelijkscadeau, verhandeld voor kamelen, geweren en auto's, en overgeërfd. Vrijgemaakte haratan hebben, anders dan de slaven, recht op eigendom en schoolbezoek – sommigen hebben het gebracht tot hoge ambtenaar – maar behouden volgens het gewoonterecht verplichtingen aan hun voormalige meesters. De regering in Nouakchott ontkent dat er in het land nog slavernij bestaat en Mauretaanse actiegroepen voor de rechten van de haratan, zoals El Hor (De Vrije) en SOS Esclavage, staan bloot aan repressie.