Wenens worsteling met het modernisme

De negentiende eeuw liep ten einde en de twintigste werd geboren bij het begin van de Eerste Wereldoorlog, aldus een vaak gehoorde stelling. Maar er is veel voor te zeggen om onze bloedige eeuw al vijf jaren eerder, omstreeks 1909, te laten beginnen en wel toen in Wenen de moderne tijd een aanvang nam. De erosie van de verschillende waardepatronen, het liberale, het religieuze en het aristocratische in Wenens fin-de-siècle had hiervoor de grondslag gelegd. Voor wie de tekenen des tijds toen kon lezen zal de explosie van creativiteit, die in de muziek de harmonie opblies, in de architectuur het ornament, in de literatuur het schone taalgebruik en in de kunst de fraaie afbeelding, dan ook niet onverwachts zijn gekomen.

Maar hoeveel mensen zijn in staat de tekenen van hun tijd waar te nemen? Nooit meer dan een kleine minderheid, een enkele Cassandra. Zelfs de historici, die het voordeel genieten van de wijsheid achteraf, hebben er lang over gedaan om hun lenzen in te laten zoomen op het Wenen aan het begin van de eeuw als een van de cruciale geboorteplaatsen van de geest van onze tijd. Pas de afgelopen decennia zijn er pogingen gedaan Wenen in de nadagen van de Habsburgmonarchie te schilderen als een samenhangend, hoewel dramatisch en veelkleurig tableau.

De Amerikaanse historicus Carl Schorske is hierin met artikelen voorop gegaan. Na het boek Wittgenstein's Vienna van Allan Janik en Stephen Toulmin in 1973, heeft hij zijn artikelen in boekvorm en in een min of meer samenhangende visie gepubliceerd onder de titel Fin-de-Siècle Vienna - politics and culture (1980). Sindsdien is een stroom publicaties over het Wenen van die jaren gevolgd, mede omdat, zoals de Amerikaanse historicus Robert Wistrich heeft geschreven `nergens anders de ambivalentie, de eenzaamheid en de fragiliteit van het individuele ego zo hevig werden gevoeld' als daar en omdat wij ons nu verwant voelen met de Weense geest van toen.

Schorske heeft nu opnieuw een boek het licht doen zien dat in wezen een bundel artikelen is. En net als in zijn Fin-de-Siècle Vienna is het kader waarin hij deze presenteert niet het sterkste punt. Schorske is een schrijver van historische vignetten, niet van de grote greep. In dit opzicht was zijn boek van een kleine twintig jaar geleden, waarmee hij terecht naam maakte, evenmin een echt boek als dat wat nu op tafel ligt en dat dan ook onpretentieus Thinking with History - Explorations in the Passage to Modernism heet. Daarin wordt wel een rode draad aangeduid. Schorske, met zijn Duitse familiegeschiedenis in zijn intellectuele bagage, wil en kan de historische werkelijkheid niet anders zien dan als momenten in een continue stroom van ontwikkeling en verandering.

Dit noemt hij `denken met de geschiedenis mee'. Daarom is hij gefascineerd door het Weense modernisme dat zich niet zozeer verzette tegen het voorafgaande, als wel a–historisch wilde optreden. Hoe zijn van huis uit meegebrachte preoccupaties hebben bijgedragen aan deze fascinatie en aan zijn intellectuele Werdegang beschrijft Schorske in een interessant essay dat voorafgaat aan de artikelen die hij in twee hoofdstukken Clio ascendant en Clio eclipsed heeft gegroepeerd. Zijn mars door de universiteiten, van Wesleyan naar Berkeley naar Princeton, geeft daarbij een mooi beeld van de splendeurs et misères die Amerikaanse intellectuelen na 1945 hebben meegemaakt: na de euforie van de eerste naoorlogse jaren de Koude Oorlog en het McCarthyisme, de radicalisering van de jaren zestig en het rustiger vaarwater daarna. De opkomst van de dictatuur van het politiek correcte denken maakte Schorske in Princeton niet mee.

Dit meest persoonlijke essay van de bundel is ook het best geschreven. In de andere stukken schrijft Schorske vaak in het academische Amerikaans dat meer verwantschap vertoont met de formele schrijftaal in het Duits dan met het Engels. Het is steeds weer merkwaardig te zien hoe in de Verenigde Staten de Duitse academische traditie grotere invloed op het taalgebruik lijkt te hebben gehad dan de Engelse directe manier van uitdrukken die bij de meest ingewikkelde onderwerpen toch altijd dicht bij de spreektaal staat.

Dit betekent niet dat Schorske in zijn vaak stijve proza geen interessante mededelingen weet te doen. Zijn kijk op de stad als wat hij noemt `the focus of critical reflexion on the condition and prospects of man' gaf hem in zijn Fin-de-Siècle al boeiende passages in de pen, ook in dit boek illustreert hij weer met wetenswaardigheden hoe stedenbouw vaak politieke worstelingen in steen zijn, waaraan nog generaties later de strijd tussen de betrokken machten en krachten af te lezen is. Wenen verschaft voor deze aanpak een schat aan ideaal materiaal en het is dan ook begrijpelijk dat Schorske deze stad in het centrum van zijn historische werk heeft geplaatst.

Met de bouw in de tweede helft van de vorige eeuw van de Ringstrasse, wilde de keizer met Prachtbauten zijn wereldmacht tonen. De liberale burgerij vanwie de macht getaand was door de nederlaag tegen Pruisen in 1866 en de economische crisis van 1873 presenteerde zichzelf toch prominent met het parlementsgebouw, het stadhuis en de universiteit. Het zijn klassiek voorbeelden van een worsteling. Het `Potemkin-karakter` van dergelijke stedenbouw komt in het Weense geval ook mooi naar voren. Bij de bouw waren de pompeuze gebouwen al meer façade en pretentie dan uitingen van macht. Kort daarna, in de Eerste Wereldoorlog, werd de opgeblazen zelfperceptie van de politieke en culturele elite in Oostenrijk al doorgeprikt. De Ringstrasse is nu een museale krans rondom de oude stad met onwerkelijke gebouwen waarin een presidentje, kleine politici, onmachtige parlementariërs, ouderwetse stadsbestuurders en provinciale professoren hun bescheiden bezigheden hebben. De illustere stenen hulsels om hen heen belemmeren eerder het zicht op de werkelijkheid dan dat ze dit bevorderen.

Schorske's fascinatie voor Wenen leidt er toe dat de beste essays in Thinking with History over deze stad in de nadagen van de Habsburgmonarchie gaan. Zo staat er een lezenswaardig stuk in over Mahler en de belangrijke rol die het milieu van zijn vrouw Alma Schindler op zijn ontwikkeling had. Door haar raakte hij bevriend met de kunstenaarsgroep Secession, door haar begon hij te balanceren, maar niet meer dan dat, op het koord dat over de kloof tussen het esthetische hedonisme van Jung Wien gaapte en de puriteinse ethici die niets van de Jugendstil en de schoonheidsaanbidding door een kleine elite moesten hebben: figuren als de schrijvers Karl Kraus en Robert Musil, de architect Adolf Loos (voor wie ornamenten misdaden waren), de componist Arnold Schönberg en de filosoof Ludwig Wittgenstein. Schorske zelf balanceert trouwens mee. Hij ziet de estheten van Jung Wien door hun afkeer van het historisme al als a-historische modernen en zijn belangstelling voor de radicale puriteinse ethici erna lijkt gering.

Op dit punt is Schorske dan ook het minst overtuigend. Hij vat het modernisme op (aan de hand van Baudelaire, de Franse impressionisten en Nietzsche) als het betwijfelen van de `geldigheid van traditionele moraal, sociale opvattingen en kunst' en het toetsen van het axioma van de rationaliteit van mens en wereld en de zin der geschiedenis aan de individuele psychologische ervaring. Zo opgevat zou inderdaad de wending naar de persoon en zijn binnenste, die aan het eind van de negentiende eeuw in zwang kwam en Jung Wien kenmerkte, modernistisch kunnen worden genoemd. Freud, het onderwerp van een van de laatste essays uit Schorske's bundel, kan dan als hogepriester van deze stroming worden gezien.

Hier komt Schorske in conflict met zijn eigen uitgangspunten. Jung Wien, Klimt en de andere schilders van de Weense Secession, Otto Wagner en zijn collega-architecten, de schrijvers rond Hofmannsthal en Bahr, Gustav Mahler c.s., dachten nog niet a–historisch, wat als tegenstelling tot zijn `denken met de tijd mee' in dit boek eigenlijk Schorske's cruciale criterium was voor moderniteit. Genoemde kunstenaars definieerden hun beweging namelijk als kritiek op `de vorigen', maar zij gingen niet veel verder dan het ruimte vragen voor en geven aan de `allerindividueelste expressie van de meest persoonlijke emotie' als enige ware kunst. Tegenover de publieke ruimte van het historisme stelden zij de schone tuin voor het genot van de verfijnde enkeling. Maar daarmee gaven zij `het denken met de geschiedenis mee' nog niet op. Dat deden pas de puriteinse nieuwlichters: Loos, Kraus, Schönberg, c.s. Zij omhelsden in hun verschillende disciplines rigoureus het a-historische nulpunt dat onze eeuw zou blijven kenmerken.

Carl E.Schorske: Thinking with History. Explorations in the Passage to Modernism. Princeton University Press. 256 blz. ƒ63,60