Vermalen tussen kerk en overheid

F.C. van Boheemen en Th.C.J. van der Heijden: Met minnen versaemt. De Hollandse rederijkers vanaf de middeleeuwen tot het begin van de achttiende eeuw. Bronnen en bronnenstudies. Eburon; bronnenboek: 842 blz. ƒ149,50 (ook op CD-Rom: ƒ65,-), bronnenstudies: 415 blz. ƒ 99,-

Op 20 mei 1573 werd schoolmeester Pieter Sterlincx ingeschreven als lid van de gereformeerde gemeente te Delft. In 1568 was hij vanwege zijn hervormde geloofsovertuiging uit Antwerpen naar Londen gevlucht. Nadat Delft in 1572 de zijde van Willem van Oranje had gekozen, vestigde Sterlincx zich, zoals menig zuidelijk geloofsgenoot, in Holland. Hij begon er weer les te geven en voerde met zijn leerlingen toneelstukken op. Sterlincx was namelijk ook een rederijker, die gedichten, liederen en toneelspelen schreef. Zoals hij waren er velen: rederijkers uit Brabant en Vlaanderen die hoopten in de steden van Holland niet alleen hun religie maar ook de dichtkunst in vrijheid te kunnen praktiseren. In de decennia voor de beeldenstorm had de landsheerlijke overheid verschillende plakkaten uitgevaardigd tegen het vervaardigen en in het openbaar opvoeren en voordragen van drama en lyriek waarin de opvattingen van Luther en andere hervormers werden verkondigd. Onder de slachtoffers van de inquisitie had zich een groot aantal rederijkers bevonden. Na de komst van Alva werden ze samen met hun organisaties, de rederijkerskamers, voor kortere of langere tijd aan banden gelegd. Ze zouden met hun teksten tot het oproer en de beeldbraak hebben aangezet.

Pieter Sterlincx had de komst van de Spanjaarden niet afgewacht en meteen de wijk genomen. Vanuit Londen in Holland aangekomen wachtte hem een onaangename verrassing. De nieuwe geestelijke leiders daar stelden zich ten aanzien van met name toneelopvoeringen al even onverbiddelijk op als hun tegenvoeters in het zuiden. De bezwaren waren menigvoud. Het toneelspel zou van heidense oorsprong zijn, men zou er de Schrift in profaneren en Gods naam in misbruiken, men stelde er Christus en soms zelfs God de Vader in voor, liet er mannen in vrouwenkleren in optreden en bezigde er onzedelijke taal in. Op 10 april 1575 werd Sterlincx voor de Delftse kerkenraad gedaagd. Hij had nota bene op zondag op de markt met zijn leerlingen een spel opgevoerd en nog wel op een ogenblik dat niet ver daarvandaan, in de kerk, gepreekt werd. De schoolmeester was al eens om zijn dramatische bezigheden vermaand, maar had de voorstelling toch doorgezet omdat hij er toestemming voor had gekregen van de stedelijke magistraat. Sterker nog: die had hem er met drie kannen wijn voor beloond.

De kwestie illustreert de strijd tussen toneel en kansel, tussen rederijkers en predikanten, en die tussen kerkelijke en wereldlijke overheid over de toelaatbaarheid van openbare vermakelijkheden. Allerwegen traden kerkenraden tegen toneelspelende lidmaten op en maanden ze stedelijke bestuurders de optredens van rederijkers te verbieden, met wisselend succes. De tegenwerking moe, verruilde Sterlincx uiteindelijk Delft als woonplaats voor Brielle, om ook daar weer met de kerkenraad over spelopvoeringen in conflict te raken.

Meer dan twintig jaar geleden begonnen twee docenten Nederlands van het Stanislascollege in Delft, F.C. van Boheemen en Th.C.J. van der Heijden, een zoektocht naar de lotgevallen van schoolmeester Sterlincx en van andere Delftse rederijkers. Ze schreven er een boekje over. Nadien breidden ze hun onderzoek uit tot de rederijkerij in het hele gewest Holland, en begonnen ze met de aanleg van een bronnenverzameling. Onlangs is die samen met drie bronnenstudies onder de titel Met minnen versaemt (`Met liefde verzameld') als Nijmeegse dissertatie uitgegeven. De twee onderzoekers transcribeerden alle archivalische documenten over rederijkers en rederijkerskamers, waarbij het voorkomen van de term rederijker het criterium vormde. Ze gingen dus selectief te werk, want gegevens over Latijns, Frans en Nederlands schooldrama, over studententoneel, professionele toneelspelers en over toneel en spelen in het algemeen werden niet opgenomen. Toch is het resultaat indrukwekkend: ruim achthonderd dichtbedrukte bladzijden met gegevens uit de thesauriersrekeningen, kerkenraadsnotulen, vroedschapsboeken, enzovoort van 93 Hollandse dorpen en steden, van Alkmaar tot Zwartewaal. Bijna geen vlek op de kaart of er waren rederijkers actief.

Wat kun je met deze bronnenverzameling? Van Boheemen en Van der Heijden geven er ieder een staaltje van in hun bronnenstudies. De eerste behandelt de rederijkerswedstrijden in het gewest Holland, de tweede gaat in op de relaties tussen de rederijkers en het kerkelijk en wereldlijk gezag. Daarbij komt ook weer de zaak van schoolmeester Sterlincx aan de orde.

Rederijkers en rederijkerskamers hadden hun activiteiten, zeker die op toneelgebied, altijd al in dienst van kerk en stad ontplooid. De vroegste vermeldingen van rederijkerskamers in Holland dateren uit de tweede helft van de vijftiende eeuw en hebben onder meer betrekking op deelname aan processies en op opvoeringen op kerkelijke feestdagen. Sommige kamers waren hun bestaan begonnen als literaire afdeling van een schuttersgilde of religieuze broederschap en bleven na verzelfstandiging, door activiteiten als het vogelschieten en de verering van een patroonheilige, blijk geven van hun oorsprong. Geen kamer kon bestaan zonder goedkeuring van de stad of van de plaatselijke heer en zonder allerlei privileges, zoals een gratis vergaderlokaal, tegemoetkomingen uit drankaccijnzen en een jaarlijkse toelage. In ruil daarvoor voerden rederijkerskamers zowel op vaste dagen als incidenteel, op bevel van de stedelijke overheid, spelen op en componeerden ze liederen en gedichten, bijvoorbeeld ter gelegenheid van vorstelijke geboorten en huwelijken, overwinningen en vredesverdragen.

Uit Van der Heijdens verhaal blijkt dat de magistraten slechts met tegenzin deze publieke rol van de rederijkers indamden. Allicht, want ze sponnen er garen bij, zowel financieel (vanwege het toegestroomde publiek dat zorgde voor extra inkomsten) als in termen van representatie. Zowel voor als na de reformatie, dus zowel onder de Habsburgers als tijdens de jonge Republiek, wisten stedelijke rederijkerskamers zich aan de macht van het Hof van Holland – de lange arm van het centrale gezag – te onttrekken en zich achter lokale bestuurders te verschuilen. Aan de oproep tot maatregelen, eerst van inquisiteurs en de landvoogdes, later van predikanten en de stadhouder, werd maar beperkt gehoor gegeven. Pas in de jaren twintig van de zeventiende eeuw begon het kerkelijk verzet tegen de rederijkers effect te sorteren en raakten ze hun gepriviligeerde rol in het toneelleven kwijt.

In zekere zin nam de publieke rol van de rederijkers na de reformatie alleen maar toe. Voor ongeveer 1580 hadden ze ten dienste gestaan van zowel de kerk als de overheid. Daarna zouden ze uitsluitend nog voor wereldlijke doelen optreden; de gereformeerde kerk wilde immers niets met hen te maken hebben. De stedelijke overheid daarentegen zag voor de kamers een rol weggelegd bij de vervulling van een taak die ze na de reformatie op vele plaatsen van de kerk overnam: die van de charitas, de zorg voor gebrekkigen, weduwen en wezen, armen en bejaarden. Daaraan besteedt Van Boheemen in zijn bronnenstudies uitvoerig aandacht. Een succesvol middel om fondsen te werven voor liefdadigheidsdoelen was de loterij, zoals die in Leiden in 1596, gehouden ten goede van een nieuw pest- en dolhuis, en die in Haarlem in 1606, ten behoeve van een nieuw oudemannenhuis. De plaatselijke rederijkers organiseerden dan toneel- en dichtwedstrijden waaraan door rederijkerskamers uit heel Holland werd deelgenomen. Het publiek werd erdoor aangemoedigd extra loten te kopen. Opmerkelijk is dat de gereformeerde kerk deze toch niet belangenloze vrijgevigheid – men kocht de loten immers om prijzen te winnen – toestond en er in sommige gevallen zelf van profiteerde.

Van Boheemen laat zien dat de wedstrijdcultuur in Holland, in ieder geval gemeten naar het aantal competities dat werd gehouden, niet onderdeed voor die in Vlaanderen en Brabant, de bakermat van de rederijkersbeweging. Op basis van het speurwerk in de archieven komt de auteur tot een overzicht dat in ieder geval meer wedstrijden telt dan tot nu toe bekend waren en ook verder in de tijd teruggaat. De bewering van de negentiende-eeuwse literatuurhistoricus G.D.J. Schotel dat het rederijkersleven in Holland `zoveel armer en primitiever' was dan in het zuiden, wordt erdoor gelogenstraft. En dan hebben we het nog niet eens gehad over de grote hoeveelheid teksten van Hollandse rederijkers die bewaard zijn gebleven. Aan de herwaardering van de rederijkerij in het gewest valt nog veel te doen. Van Boheemen en Van der Heijden hebben een goed begin gemaakt.