Variaties op vrijheid, oorlog en geloof

Waar de één een dik boek voor nodig heeft, dat zegt de ander in één enkele zin. `De natie is een ziel.' Op een goede steenworp afstand van de plaats (Versailles) waar tien jaar eerder het Duitse keizerrijk werd geproclameerd, opperde de Fransman Ernest Renan in een voordracht aan de Parijse Sorbonne (11 maart 1882) dat de natie eigenlijk vooral moest worden begrepen als een `geestelijk principe', als een `ziel'. Mocht de natie inderdaad een `ziel' zijn, en dat is Renan in vele bewoordingen nagezegd, dan kunnen nationale mythen worden begrepen als haar diepste roerselen. In Mythen der Nationen wordt de nationale mythologie van achttien Europese volkeren (en de Amerikanen) beschreven uit het perspectief van de historicus en de kunstenaar van de negentiende eeuw, de eeuw bij uitstek van de nationale idee. Het is een prachtig boek – voortkomend uit een gelijknamige tentoonstelling vorig jaar in Berlijn –, met honderden afbeeldingen (waarvan een groot aantal in kleur), een panorama inderdaad van de wijze waarop de naties van Europa zich ooit de eigen geschiedenis, en die van de buurvolkeren, voorstelden.

Het wijde uitzicht op Europa dat Mythen der Nationen biedt, is minder vanzelfsprekend dan het lijkt. Het getuigt van een benadering van de Europese geschiedenis waarin de vermeende historische deling tussen `Oost' en `West' niet langer als een excuus wordt gebruikt om zich tot een der beide delen te beperken. De schotten die dikwijls met terugwerkende kracht in de geschiedenis van Europa zijn opgetrokken, worden langzaam neergehaald. En niet ten onrechte. Het valt op hoe groot de overeenkomsten zijn tussen de mythische voorstellingen waarmee de diverse Europese volkeren in de negentiende eeuw hun nationale identiteit schragen (en de wijze waarop kunstenaars ze hebben uitgebeeld), ondanks het zo dikwijls gesuggereerde onderscheid tussen een West- en een Oost-Europees natiebegrip of nationalisme.

Dat is ook in een ander opzicht opmerkelijk, omdat de verschillen van land tot land, die door tijdgenoten als onoverkomelijk moeten zijn gezien, op de keper beschouwd niet meer zijn dan variaties op enkele thema's. Welke thema's? De Europese `naties' in wording baseerden hun identiteit, zonder uitzondering, op de mythische voorstellingen van vrijheid, oorlog en geloof. Ze zijn de rode draden van de `invented tradition' die het idee van de natie in feite is. Ze zijn de paradoxale motieven die in even sterke mate de diversiteit als de verwevenheid van de volkeren van Europa in de vorige eeuw bepalen.

Nationale mythologie is een combinatie van collectieve herinnering en vergeten. Nationale mythen zijn een aan de historische werkelijkheid ontleend product van de verbeelding, van de fantasie die richting en betekenis geven aan de gang van de geschiedenis. Nationale mythologie verheft de natie, de hoogste aller gemeenschapsvormen, boven het tijdelijke en het alledaagse. Het verschaft het anders dolende individu vertrouwen, zekerheid, een missie wellicht. De nationale idee bestaat bij de gratie van haar historische continuïteit. Ze moet de ononderbroken ontwikkeling van de nationale gemeenschap suggereren. Ze moet bruggen slaan in de tijd.

Hermann (Arminius), aanvoerder van Germaanse stammen, bracht in 9 na Christus in het Teutoburgerwoud de legioenen van de legerleider Publius Quintilius Varus een forse nederlaag toe. Hoewel Hermanns overlevering uitsluitend is te danken aan de ijver van enkele Romeinse kroniekschrijvers, zou hem in de negentiende eeuw alsnog de eer worden gegund de `eerste Duitser' in de geschiedenis te zijn geweest. Hermann werd de personificatie van het verzet van de natie tegen vreemde overheersing, voor vrijheid en zelfstandigheid – meer dan duizend jaar voordat diezelfde `natie' in één staat verenigd zou worden.

Tragiek

Geen enkel nationaal bewustzijn kan zonder oorlogen en veldslagen, het liefst veldslagen die roemrijk werden verloren. Het was juist de heroïsche tragiek van strijd, ondergang en zelfopoffering die het negentiende-eeuwse individu aan zijn verplichting jegens de dikwijls nog jonge nationale staat en gemeenschap herinnerde. De geschiedenis was er vol van. Vercingetorix, aanvoerder der Galliërs, leed zo'n glorieuze nederlaag tegen de Romeinen in 52 voor Christus - ze werd de oorsprongsmythe van het `eeuwige Frankrijk'. In 69 na Christus wierp Claudius Civilis, een voorname Batavier in dienst van de Romeinen, zich in de provincie Belgica op als hoofdman van de Germaanse Batavieren die zich niet langer bij de Romeinse overheersing wensten neer te leggen. Hij ontketende een revolte. De Batavieren werden vernietigend verslagen, maar Civilis zou later, veel later, als de oervader van de vrijheidslievende natie der Nederlanders de geschiedenis ingaan. Het is typerend voor de precaire geopolitieke positie van de Oost-Europese volkeren dat glorieuze nederlagen juist in hun nationale mythologieën centraal stonden (en staan). De Serviërs die het onderspit dolven tegen de aanstormende Turken, in 1389 op het Kosovo Polje. In de negentiende eeuw zou de verloren veldslag geleidelijk het kernstuk van de Servische identiteit worden. (De Balkanvolkeren, met uitzondering van de Grieken, komen trouwens niet aan bod in Mythen der Nationen.) De Hongaren die anderhalve eeuw later, in 1526 bij Mohacs, een vernietigende nederlaag tegen dezelfde Turken leden en de nationale onafhankelijkheid verloren die ze pas weer in 1918, en dan in verminkte vorm, terugkregen. En de Polen natuurlijk, van wie de strijd tegen vreemde overheersers als een tweede natuur is voorgesteld. Een strijd die doorgaans werd verloren, zoals in 1794, de moeder aller revoltes, de opstand van Tadeusz Kosciuszko tegen de legers van de Russische tsarina Catherina de Grote.

Uit Mythen der Nationen blijkt een opvallende gelijkenis in de wijze waarop de schilders van de negentiende eeuw, in Oost en West, de cruciale momenten in de geschiedenis van hun naties weergaven. Allegorieën en overige visuele kunstgrepen (behalve een dramatische en romantische enscenering) blijven doorgaans achterwege. De afbeeldingen die in het boek zijn opgenomen, vallen juist op door hun realisme en transparantie. Ze hebben vooral een pedagogische functie. Ze willen de tijdgenoot tot ooggetuige maken van het nationale verleden. De afbeeldingen maken ook duidelijk hoe nauw de verschillende aspecten van nationale mythologie zijn verbonden. Oorlogen staan in dienst van de vrijheid. Vrijheid moet vooral worden begrepen als vrij van vreemde overheersing. En vreemde overheersing staat meestal in de weg van het ongehinderd kunnen genieten van het enige ware geloof. Kortom: alleen in volledige onafhankelijkheid kan de natie zich ten volle ontplooien. Zo kon de opstand tegen het Spaanse Gezag, voorgesteld als een eensgezinde revolte onder een nimmer weifelende Willem van Oranje, tot de belangrijkste historische mythe in het negentiende-eeuwse Nederland worden. En zo kon er een directe historische continuïteit worden gesuggereerd tussen de `Guldensporenslag' (Kortrijk, 1302), waar Vlaamse ambachtsgilden een Frans ridderleger versloegen en zodoende de `Belgische nationaliteit' redden, en de revolutie van 1830-'31, toen diezelfde Belgen eindelijk het juk der Nederlanders afwierpen.

Religie

Er is geen Europese natie in wier mythologie, naast oorlog en vrijheid, religie, meer in het bijzonder het christelijk geloof, niet een cruciale plaats inneemt. Het is vaker opgemerkt, en ontkend, maar zonder christendom is er geen Europa. In wezen doet het niet ter zake of `Europa' in religieuze (de door christenen bewoonde gebieden) of in seculiere termen wordt gedefinieerd; in het historische zelfbeeld van vrijwel al zijn volkeren spelen religie en religieuze conflicten een overwegende rol. Opnieuw: wat de Europeanen verbond, verdeelde hen ook. De talloze religieuze verwijzingen in de nationale mythologie dienden vooral ter bevestiging van de eigen nationale eigenheid en uitverkorenheid: voor de afvallige Bohemers van Jan Hus, voor de orthodoxe Russen, de katholieke Polen en de protestantse Hollanders.

Toch suggereert het christelijke geloof een gemeenschappelijkheid die andere elementen van nationale mythologie ontbeerden. Een gemeenschappelijkheid die het ontleent aan een gezamenlijke vijand, de enige gezamenlijke vijand wellicht die de Europese naties ooit hebben gekend: de islam. Het beeld van de islam mag doortrokken zijn geweest van `fantasieën' en `dwangvoorstellingen', zoals de inleiders op Mythen der Nationen er veiligheidshalve aan toevoegen, maar dat maakt het niet minder relevant.

Zelfs volkeren die niet of nauwelijks in direct contact stonden met de islamitische wereld, baseerden hun nationale identiteit tenminste gedeeltelijk op de strijd tegen de volgelingen van Mohammed. Het ontzet van Wenen (1683), de verdediging van het christelijke avondland tegen de Ottomaanse legers, destijds al bejubeld in geheel Europa, is een van de weinige concrete historische gebeurtenissen die door meerdere volkeren tot de eigen mythologie worden gerekend. Het geeft nog eens aan hoe uitzonderlijk, in historisch perspectief, de recente vestiging van omvangrijke islamitische bevolkingsgroepen in de grote steden van Europa is.

Historische mythologie zegt vaak meer over de tijd waarin ze wordt beleden, dan over de geschiedenis zelf. Mythen der Nationen gaat dan vooral over de negentiende eeuw – `doordrenkt van oorlogszucht en dronken van militaire roem', zoals de historici Etienne François (Frankrijk) en Hagen Schulze (Duitsland) opmerken in hun inleiding op de bundel. Historische mythen dienen nu eenmaal te beantwoorden aan de vereisten van de tegenwoordige tijd. Ze worden intensief beleefd in perioden van onzekerheid en strijd; ze verdwijnen naar de achtergrond in jaren van stabiliteit en voorspoed. De historische mythologie van de negentiende eeuw doet derhalve gedateerd aan. Ze is weggedrukt door de verschrikkingen (de `Europese burgeroorlog') die de twintigste eeuw aanvankelijk bracht en, vooral, door de politieke stabiliteit en de uitzonderlijke groei en spreiding van de welvaart die erop volgden.

Monicka Flacke (red.): Mythen der Nationen. Ein Europäisches Panorama. Koehler & Amelang, 600 blz. ƒ112,–