Van water tot water

Zwemmen is gymnastiek te water. Dat mogen we opmaken uit Geurt van der Tas' Gymnastiek in het licht der Schrift, een memorabele onderkastdissertatie die ergens in de jaren dertig verscheen in het Zuid-Afrikaanse Bloemfontein. In het hoofdstuk dat Van der Tas aan zwemmen wijdt, zegt hij dat schoolslag boven borstcrawl de voorkeur verdient. De borstslag doet te veel aan de bewegingsmethode van de dieren des velds denken, terwijl God de mens immers toch naar Zijn Aangezicht schiep. Of de architect Adolf Loos ook aan gymnastiek heeft gedacht, toen hij in zijn ontwerp voor de compleet in zwart-wit gedachte Parijse villa van Josephine Baker een centraal zwembad van glas opnam, is de vraag. Wellicht aan Gods Aangezicht, we weten het niet. Loos is nooit een spraakzame man geweest. De villa werd nimmer gebouwd, maar Loos' ontwerp spreekt tot de verbeelding: de beroemde danseres, zonder enige schaamtebedekking alzijdig zichtbaar, in half-gewichtloze bevalligheid.

Zwemmen is niet alleen gymnastiek te water. Toen Karel de Grote honderd gasten in bad om zich heen verzamelde (het staat te lezen in het recent uitgegeven, schitterende Leven van Karel de Grote van tijdgenoot en vazal Einhard) had hij vast iets anders in de zin. Gezelligheid, saamhorigheid, demonstratie van torso-zelfvertrouwen misschien.

Het `zwembadgevoel' zoals romancier Kees 't Hart het in zijn gelijknamige roman noemde, heeft vele facetten. Thomas A.P. van Leeuwens The springboard in the Pond getuigt daarvan. Van Leeuwen werkt aan een `intimate history van lucht, aarde, vuur en water, een cultuur- en architectuurgeschiedenis van het menselijk gevoel via de vier klassieke elementen'. Een ambitieus project. Het eerste deel verscheen in 1988 (lucht, over de metafysica van de Amerikaanse wolkenkrabber), met het derde deel is hij momenteel bezig (aflevering vuur: architectuur en destructie). Thomas van Leeuwen mag in The springboard in the Pond dan over Loos Baker-zwembad, Bijbelzwemmen noch het privé-bassin van Karel de Grote spreken, hij toont zich in beide verschenen delen een erudiet, helder formulerend schrijver.

De architectuurgeschiedenis wordt door te veel mensen over het hoofd gezien. In een specialistische Amsterdamse boekwinkel als Architectura & Natura vindt men echter een grote hoeveelheid boeken waarin wordt nagedacht over de plaats van de mens in de natuur, over het menselijke gevoel in ruimtes en over verhoudingen. Het betreft vaak filosofische werken, maar altijd direct aan de werkelijkheid gerelateerd: een architect of architectuurhistoricus is te veel practicus om zich in metafysica te verliezen en een gebouw is altijd concreet. Groots in dit verband waren bijvoorbeeld Caroline van Ecks Organicism in Nineteenth-Century Architecture (1994) en Gijs Wallis de Vries' boek uit 1990 over Piranesi's stedebouwkundige plannen voor het Romeinse Marsveld.

Thomas van Leeuwen koos de relatieve eenvoud van het twintigste-eeuwse, Amerikaanse privé-zwembad en zijn mondiale voorgeschiedeis als uitgangspunt voor zijn beschouwingen. Hij staat op de duikplank en trekt prachtige figuren door de lucht, alvorens de diepte van de bodem op te zoeken. In die beweging denkt hij na over ruimte, intimiteit, hygiëne, religie, gemeenschapszin, kunst, erotiek, psychologie, en uiteraard architectuur. Wonderbaarlijk hoe breed en weinig schools zijn zwemslag is.

Je hebt bij The Springboard in the Pond snel het gevoel in het diepe te zijn gegooid en bijna te verdrinken. Naast wat Van Leeuwen zelf vertelt, vermelden de marges intrigerende titels die je óók meteen wilt lezen. Charles Sprawsons The Swimmer as Hero (1992) bijvoorbeeld, onder andere over Byron, Swinburne en Shelley als zwemmers. Alev Croutiers Taking the Waters (1992), Böhme's Kulturgeschichte des Wassers (1988), of Erwins Meyls Antike Schwimmkunst (1927). Voorzichtig, langzaam lezen is bij Van Leeuwen geboden. Want de stap is groot van de Aquatic Ape Conference in 1987 (waar marine biologie en de ontwikkelingsgeschiedenis van de mens over elkaar werden geschoven: we zijn afkomstig uit het water) naar wat Van Leeuwen `perverse hydrophobia' noemt (over de op onderwaterrails bewogen zwanenboot van Koning Ludwig II), of van de spiegelvijver van het Washington Monument naar de tot zwembad omgebouwde Duits-protestantse kerk te St. Petersburg. En Van Leeuwen schrijft met evenveel toewijding over Hollywood-pools, over badderpoeltjes voor Artis-pinguins, over de negentiende-eeuwse Militärschwimmschule in Wenen als over een moderne zwembadtegeltjesfabriek in Californië. En zijn woorden over Lohengrin zijn even bevlogen als die over duikpaarden in een Amerikaans circus.

`Mensen groeven gaten in de grond, vulden die met water, hingen trapjes aan de rand en zetten duikplanken neer. Ze voegden desinfecterende middelen en kleurstoffen toe, maar uiteindelijk, hun eigen bouwsels vrezend, begonnen ze het familiezwembad te mijden, beïnvloed door milieubijgeloof en – misschien nog wel meer – verveling. Eerst haalden ze de duikplank weg, daarop werd de kinderen de toegang ontzegd en tenslotte hunzelf. Nu was de weg geëffend voor een nieuwe generatie sociale zwemmers: goudvissen en zelfs haaien begonnen het familiezwembad te bevolken. De cirkel is rond. De piscine is in haar originele staat teruggebracht.' Of hij hier de waarheid spreekt is de vraag. Natuurlijk is de kwestie rond waterverspilling actueel als het om het kurkdroge Hollywood gaat. Maar als er iets is in de intieme geschiedenis van de mens dat we hardnekkig mogen noemen, is het wel de behoefte ons in een al dan niet openbare bak met water te werpen, om ons daar min of meer gymnastisch voort te bewegen.

Thomas A.P. van Leeuwen: The Springboard in the Pond. An Intimate History of the Swimming Pool. The MIT Press, 320 blz. ƒ99,30

Dinsdag 11 mei a.s. geeft Thomas A.P. van Leeuwen een lezing in het Berlage Instituut, Marnixstraat 317, Amsterdam, aanvang 20.00 uur