Signaal van Duisenberg

die de Europese Centrale Bank (ECB) gisteren heeft aangekondigd, was verwacht, maar de verrassing zat in de omvang. Een verlaging van het rentetarief met een half procentpunt, van drie naar 2,5 procent, was forser dan veel financiële analisten hadden voorspeld. De monetaire strategie van ECB-president Wim Duisenberg wordt hiermee bevestigd: heldere signalen afgeven met zo min mogelijk, maar stevige rentebewegingen.

En hiermee, zo maakte Duisenberg in zijn toelichting in Frankfurt duidelijk, heeft de ECB haar bijdrage aan de reanimatie van de economie in `euroland' geleverd. Verdere rentedalingen zijn in beginsel niet te verwachten. Hij schoof daarmee de verantwoordelijkheid voor de toestand van de economie – en dan vooral de werkgelegenheid – terug naar de politiek. Als de economische groei niet aantrekt en de werkloosheid niet daalt, ligt dat aan het beleid.

Hier mag gerust van een paradox worden gesproken. Op de honderdste dag van het bestaan van de euro doet de president van de ECB precies wat zijn grootste politieke kwelgeest van het afgelopen half jaar, Oskar Lafontaine, steeds heeft geroepen. Lafontaine, voorstander van een stimuleringsbeleid met lage rente, ruimde vorige maand het veld als minister van Financiën in Duitsland. Hoe meer druk Lafontaine publiekelijk uitoefende om de ECB te bewegen tot een renteverlaging, des te halsstarriger volhardde de ECB in haar afwijzing. Pas nadat deze strijd om de hegemonie over de verantwoordelijkheid voor het monetaire beleid was beslecht door het plotselinge vertrek van Lafontaine, achtte de ECB zich bevrijd van de politieke pressie om de rente te verlagen.

DE ARGUMENTEN hiervoor zijn sterk: geen tekenen van inflatie, stagnatie in Duitsland en Italië (samen de helft van de economie van euroland), dalend ondernemersvertrouwen, hardnekkig hoge werkloosheid in een aantal landen. Maar deze problemen waren er drie maanden geleden ook al en toen vond de ECB het niet nodig in te grijpen. Bovendien zijn er andere overwegingen: Frankrijk, de op-een-na-grootste economie, doet het redelijk en in de overige eurolanden is een renteverlaging niet echt nodig of, zoals in Ierland en Portugal, zelfs ongewenst. De koers van de euro is sinds de introductie op 1 januari aanzienlijk gedaald en een renteverlaging is over het algemeen niet de beste methode om de externe waarde van een munt op te krikken. De euro daalde vandaag dan ook ten opzichte van de dollar. En ten slotte is het gevaar geweken van een wereldwijde economische crisis. Toen deze vorig jaar herfst dreigde, besloot de Amerikaanse centrale bank om de rente agressief te verlagen. De Brazilië-crisis is gepasseerd en in de Aziatische landen gloort een begin van herstel.

Daar komt nog iets bij. Duisenberg heeft keer op keer gezegd – ook gisteren herhaalde hij dit – dat het Europese werkloosheidsprobleem niet kan worden opgelost door de versoepeling van het monetaire beleid. De aanwijzingen dat de hoge werkloosheid, met name in Duitsland, het gevolg is van structurele belemmeringen zijn al jaren overweldigend. Dat vraagt om politieke besluitvaardigheid om starheden in product- en arbeidsmarkten te verminderen en het sociale zekerheidsstelsel te hervormen. Het enige drukmiddel waarover een centrale bank beschikt om dat te bevorderen – de rente hoog houden – heeft de ECB gisteren weggegeven zonder in ruil hiervoor geloofwaardige hervormingen te hebben teruggekregen.

EUROPA HEEFT de rente verlaagd. In het kielzog van euroland volgden ook Groot-Brittannië, Denemarken en Zwitserland. Dit is de bijdrage van de centrale banken om het proces van desinflatie te keren, de vraag te stimuleren en de sputterende economieën van euroland op te porren. Het moet niet de verwachting wekken dat goedkoop geld de oplossing zou zijn van de structurele problemen van werkloosheid en trage groei in Europa. Dat is niet het signaal dat Frankfurt heeft afgegeven.