Paternalisme overheid bedreigt digitale grondrechten

Het digitale tijdperk lijkt onze Grondwet aan alle kanten verouderd te maken. Reden voor de regering een staatscommissie in te stellen om zich te buigen over de digitale grondrechten. F. Kuitenbrouwer vindt dat deze opdracht een gevaarlijke dubbele bodem heeft.

Dreigt een tweede Securitel-zaak? Deze onheilspellende vraag stelt de jongste aflevering van het juristentijdschrift Mr. Het verwijst naar de juridisch-politieke rel van enkele jaren geleden, toen bleek dat ons land allerlei technische voorschriften niet behoorlijk bleek te hebben aangemeld bij de Europese Unie. Daardoor dreigden met name allerlei keuringen – van ademanalyse tot speelautomaat – ongeldig te zijn. De schade viel naderhand nogal mee, maar de schrik zat er goed in.

Nu gaat het om normalisatienormen die een rol spelen in allerlei regelingen, van Bouwbesluit tot Varkenswet. Om geldig te zijn behoort de overheid ze te publiceren, zodat ze in beginsel kenbaar zijn voor elke burger. De Amsterdamse advocaat Elferink ontdekte echter dat ze slechts tegen commercieel tarief – dus beperkt – verkrijgbaar zijn bij het Nederlands Normalisatie Instituut. Daardoor zouden zij ongeldig zijn. Elferink ziet de schadeclaims al komen van constructeurs of particulieren die gebouwen hebben moeten aanpassen (of afbreken) op grond van de ongeldige normalisatienormen.

Ergelijk is vooral dat er een alternatief is: de elektronische snelweg. Waarom zet de overheid dit soort normen niet gewoon op het Internet? Sterker nog, de elektronica maakt het mogelijk integrale (bijgewerkte) wetsteksten te leveren. Tot nu toe worden bij wetswijziging alleen de veranderingen gepubliceerd. Dat maakt een wet die vaak op onderdelen wordt gewijzigd op den duur volstrekt ontoegankelijk voor de leek. Toch wordt iedere burger geacht de wet te kennen. De moderne techniek maakt dat nu mogelijk, maar er lijkt in Den Haag altijd wat tussen te komen om dit te realiseren.

Er is een stevige impuls nodig om het emanciperende potentieel van Internet te ontsluiten. Het kabinet gaat daartoe te rade bij een staatscommissie die moet adviseren over de vormgeving van de rechten van de mens in het digitale tijdperk. Digitale grondrechten dus. De bestaande Grondwet kan daarin slechts in beperkte mate voorzien, ook al is hij in 1983 nog speciaal aangevuld met een recht op bescherming van de privacy. Zelfs dit moderne grondrecht staat onder grote elektronische druk. De vormgeving van het privacyrecht is gericht op afscherming van persoonsgegevens. Dat wringt in toenemende mate met de ontwikkeling van de moderne techniek, gesymboliseerd door grote netwerken met als summum Internet, die juist gericht zijn op het delen van informatie. `Een elektronische vergiet' wordt dat wel genoemd.

Alle gaatjes stoppen lukt steeds minder, al blijft het de moeite waard de ergste lekken te dichten. Voor de burger om wiens gegevens het gaat, wordt het steeds meer van belang te weten aan wie hij zijn gegevens toevertrouwt. Een eerste vereiste daarvoor is inzicht in welk vlees men in de kuip heeft. Dat veronderstelt openheid van gegevensverwerkende organisaties over hun werkwijze ten opzichte van hun klanten. Alweer kan Internet uitkomst brengen. De noodzakelijke openheid blijft echter vaak uit.

De staatscommissie moet onderzoeken of de Grondwet dient te worden aangevuld met een grondrecht op openbaarheid. De voornaamste reden de commissie in te stellen was echter het fiasco van een grondwetswijziging die door het vorige kabinet werd ingediend. Deze moest de oude bepalingen over telegraaf-, telefoon- en briefgeheim vervangen door een modern recht op `vertrouwelijke communicatie' dat los zou staan van de stand van de techniek. Het was toch te gek dat een brief grondwettelijke bescherming geniet en een e-mail niet?

De gepresenteerde grondwetstekst werd zwaar geamendeerd door de Tweede Kamer en verzandde toen in de senaat, die het resultaat onvoldoende doordacht vond. Dat is dodelijke kritiek voor een grondwetswijziging. Grondige bezinning door een staatscommissie is dan ook geen overbodige luxe. Alle vreugde vergaat echter wanneer men ziet hoe zij op pad wordt gestuurd.

De digitale grondrechten zijn een mijnenveld. Moet de grondwetgever bijvoorbeeld een beginsel als de pluriformiteit van de mediawereld formeel vastleggen? Dat klinkt mooi, maar zo'n opdracht is tegelijk een uitgelezen mogelijkheid voor allerlei overheidsinterventies die de vrijheid van de media bedreigen. Een grondwetsbepaling over pluriformiteit zou wel eens kunnen uitpakken als ,,een Trojaans paard gevuld met paternalistische overheidsfunctionarissen'', waarschuwde Lodewijk Asscher eerder dit jaar in Mediaforum.

Een Trojaans paard bedreigt de uitdrukkelijke opdracht van het kabinet aan de staatscommissie om ,,zoveel mogelijk rekening te houden met bestaande wetgeving, ingediende wetsvoorstellen en beleidsnotities''. Dit miskent dat de Grondwet juist boven al die wetten en voornemens gaat. Met name op het vlak van de `aftapbaarheid' van telecommunicatienetten is er al heel wat in de maak dat kritische aandacht vanuit het perspectief van de digitale grondrechten vergt.

Nu wordt een grondwetscommissie onder curatele gesteld van de nota Wetgeving voor de elektronische snelweg van de vorige minister van Justitie, Sorgdrager. Dit beleidsstuk werd juist wat betreft zijn regelzucht op de laatste jaarvergadering van de Juristenvereniging gefileerd door de Amsterdamse hoogleraar informatierecht E.J. Dommering, die dan ook niet is benoemd in de staatscommissie. Sorgdrager heeft onder meer laten weten in beginsel niet afwijzend te staan tegenover ,,internationale eenmaking van wetgeving die is gebaseerd op culturele verschillen, zoals uitingsdelicten''. In sommige landen staan Mark Twain en Anne Frank op de zwarte lijst. Dat geldt in dit soort culturen dan ook al gauw voor webpagina's gewijd aan hun werk. De consequentie van Sorgdragers stellingname is dat ons land meewerkt aan dit soort draconische verboden. Het primaat van het overheidsbeleid dreigt de staatscommissie medeplichtig te maken aan dit soort onverteerbare ontwikkelingen.

De voorzitter die de staatscommissie door het digitale mijnenveld moet loodsen, is de hoogleraar informatica en recht H. Franken. Hij gaf meer dan tien jaar geleden zijn naam aan een commissie die het strafrecht moest aanpassen aan het informatietijdperk. De Commissie-Franken legde de grondslag voor opsporingsbevoegdheden die uniek waren voor hun tijd. Met name de mogelijkheid van justitiële visexpedities in computerbestanden werd drastisch verruimd.

De nieuwe bevoegdheden werden verdedigd met een beroep op het unieke karakter van de computercriminaliteit. Maar daartoe blijven ze niet beperkt; ze gelden evenzeer voor klassieke criminaliteit. Op de Juristenvereniging werd vorig jaar gezegd dat de speciale computerteams van de politie negentiende van hun tijd besteden aan gewone criminaliteit en niet aan specifieke computerdelicten. Het valt te vrezen dat de nieuwe bevoegdheden die de overheid met een beroep op het Internet opeist, niet in de laatste plaats zijn bedoeld om te worden geïmporteerd in de klassieke rechtsorde, waar men er niet over zou piekeren zo ver te gaan.

Het is kortom de vraag hoe diep de nieuwe sympathie voor de digitale grondrechten eigenlijk steekt.

F. Kuitenbrouwer is redacteur van NRC Handelsblad.